Religie laat zich ook in Europa niet weglachen

Een van de zwaarste taken voor deze Duitse paus wordt de strijd om te worden aanvaard in het werelddeel waar hij geboren is, betoogt Anne Applebaum.

Wanneer het stof weer is gaan liggen – wanneer de missen zijn opgedragen en de nieuwe paus gewend is aan zijn nieuwe onderkomen, zijn nieuwe taken, zijn nieuwe gewaden – krijgt Benedictus XVI te maken met een buitengewone lijst problemen, variërend van bio-ethiek tot geopolitiek. Een van de zwaarste taken voor deze Duitse paus wordt de strijd om te worden aanvaard in het werelddeel waar hij geboren is.

Het klinkt paradoxaal, gezien de Europese pracht waarin de kerk zich de afgelopen maand heeft gehuld – denk aan de taferelen in Rome, het Sint-Pietersplein, de Sixtijnse Kapel –, maar toch zijn het niet Afrika, Latijns-Amerika of zelfs de oproerige Verenigde Staten die de katholieke kerk op dit moment voor de grootste problemen plaatsen. Het is Europa zelf.

Daarmee doel ik niet alleen op het teruglopende kerkbezoek in Italië en Spanje waarop zo vaak gewezen wordt, of op het feit dat de Europese katholieken op grote schaal aan geboortebeperking doen. Hoewel religieuze apathie in Europa bepaald geen zeldzaamheid is, weegt deze veel minder zwaar dan de antipathie die niet rechtstreeks gericht is tegen de katholieke kerk in Europa, maar tegen de religie in het algemeen.

Niet dat de Europeanen vinden dat de kerk achterlijk is, niet bij de tijd, maar wel hebben zij – of liever een invloedrijke groep intellectuelen en politici – een hartgrondige hekel aan alles wat ermee te maken heeft. Iets daarvan was onlangs merkbaar. Binnen enkele uren nadat de nieuwe paus gekozen was, speculeerde de BBC al in een profielschets dat hij zijn retorische vaardigheden weleens zou kunnen hebben ontwikkeld in nazi-Duitsland – hij is op zijn vijftiende uit de Wehrmacht gedeserteerd –, terwijl in linkse kringen in Duitsland sommigen zijn verkiezing bestempelden als een ,,catastrofe''.

De katholieke geleerde George Weigel noemt dit verschijnsel `christofobie', een uitdrukking die hij heeft ontleend aan de in Zuid-Afrika geboren Amerikaanse jurist J.H.H. Weiler, die zelf toevallig een jood is. Weigel is zich in het verschijnsel gaan verdiepen, nadat hem was opgevallen hoe fel de Europese Unie zich verzette tegen een vermelding van de christelijke wortels van dit werelddeel in de nieuwe, nog niet geratificeerde Europese Grondwet. In zijn recente boek The cube and the cathedral (De kubus en de kathedraal) somt Weigel een hele reeks oorzaken op van deze zeer machtige, zeer diepgaande en zeer Europese – en niet Amerikaanse – antipathie.

Tot de oorzaken die hij noemt behoren de holocaust, die in de ogen van veel Europese intellectuelen het logische resultaat was van eeuwen van christelijk fanatisme; de teleurstelling die bij Europees links nog altijd heerst over de val van het Europese communisme, die velen ten dele de kerk `verwijten'; de erfenis van de revolte van 1968, die zich in Europa zowel als Amerika richtte tegen allerlei vormen van traditioneel gezag; en de Europese neiging om de kerk in het algemeen, en christen-democratische partijen in het bijzonder, te associëren met `rechts'. Ik zou daar nog één oorzaak aan toe willen voegen: het feit dat Europa godvruchtigheid op het ogenblik associeert met `Amerika', en met name met George W. Bush, die er in heel het werelddeel in peilingen onveranderlijk ongunstig afkomt.

Voor de vele Europeanen die een hekel hebben aan godsdienst, was het maar al te gemakkelijk om wijlen de paus af te doen als een `achterlijke' Pool, en hem als onbeduidend te beschouwen, terwijl hij toch op de één of andere manier miljoenen jongeren ertoe wist te bewegen om zijn `jeugdmissen' in de open lucht bij te wonen. Maar door de komst van een Duitse paus, die veel opvattingen van Johannes Paulus II deelt, zou het geloof wel weer eens een factor kunnen worden in het Europese politieke debat, en ditmaal niet alleen in de oostelijke, maar ook in de westelijke helft van het werelddeel. Zeker de Duitsers zullen een Duits sprekende paus moeilijk kunnen negeren.

Dat debat wordt de moeite waard, ook voor wie niet katholiek of gelovig is (en ik ben geen van beide), omdat het veel zal onthullen over de richting waarin de Europese politiek zich beweegt. Het zou ook aanwijzingen kunnen opleveren omtrent de toekomst van de gehavende, veelgeplaagde transatlantische betrekkingen. De culturele verschillen tussen Europa en Amerika worden vaak sterk overdreven, maar de religieuze verschillen zijn groot. Je kunt in Amerika moeilijk politiek actief zijn zonder ten minste lippendienst te bewijzen aan de religie. In Europa daarentegen drijft men de spot met politieke leiders die openlijk hun geloof belijden.

Tony Blair wordt bespot om zijn vroomheid, de Fransen protesteerden toen hun president de begrafenis van de paus bijwoonde, en de Italiaanse politicus Rocco Buttiglione moest zijn kandidatuur voor de Europese Commissie intrekken, omdat hij als gelovig katholiek geen zuiver juridisch oordeel zou kunnen vellen.

Met hun besluit om geen paus te kiezen uit een deel van de wereld waar de kerk nog echt groeit, hebben de kardinalen laten zien dat zij het werelddeel waar het pausdom geboren is, nog niet hebben opgegeven. Misschien bespeuren zij een ontwikkeling die voor de rest van de wereld nog onzichtbaar is. Misschien gokken zij erop dat de reusachtige toename van de Europese islamitische bevolking veel Europeanen zo niet weer tot het geloof zal brengen, dan toch zeker tot het inzicht dat voor de kerk een rol is weggelegd in het openbare leven, of op z'n minst in de geschiedenisboeken.

Anne Applebaum is commentator van de Washington Post.

© The Washington Post