`Onze landing was een fluitje van een cent'

Onder de veteranen van de Tweede Wereldoorlog vormen de `Irenemannen'een bijzondere groep. Als onderdeel van het geallieerde leger trokken ze van Normandië naar Den Haag. Waardering is er genoeg, maar: ,,Als de Irenebrigade er niet was geweest, was Nederland geen dag later bevrijd.''

Zijn verhaal over de oorlog klinkt als een filmscenario. Bij de Duitse inval op 10 mei 1940 bewaakte soldaat Wim Vaders met zijn eenheid vliegveld Souburg nabij Vlissingen. Met de nederlaag in het verschiet trok hij zich met een handvol kameraden via België en Frankrijk terug naar Engeland. In Breskens vorderden ze een auto van een boer en mengden ze zich in de wassende stroom vluchtelingen richting zuiden. De chaos onderweg was enorm. In Frankrijk werden de Nederlandse soldaten abusievelijk voor Duitsers aangezien en verhoord; auto en wapens werden in beslag genomen. Bij Franse soldaten en het Rode Kruis bedelden ze om voedsel. Uiteindelijk kon Vaders via Duinkerken ontsnappen naar Engeland. Zijn ouders en zus wisten op dat moment niets van zijn lot, ze dachten dat hij was gesneuveld. Vaders, terugkijkend op deze chaotische dagen: ,,Zoals zoveel dingen in je leven deed je dat gewoon. Het heeft wonderbaarlijk goed uitgepakt.''

In 1944 zou Vaders de omgekeerde weg bewandelen, van Frankrijk naar Nederland. Ditmaal als onderofficier bij de Nederlandse Irenebrigade, die in 1941 in Engeland was opgericht. Een unieke eenheid, want het enige onderdeel van de Koninklijke Landmacht dat de opmars van de geallieerden vanaf Normandië tot en met de bevrijding van Nederland meemaakte. De 88-jarige Vaders behoort tot de snel slinkende groep `Irenemannen' van het eerste uur. Volgens Henk van Beers, penningmeester van de Vereniging van Oudstrijders van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene, zijn er nog een paar honderd veteranen van de brigade, die in totaal zo'n 2.500 man heeft geteld, in leven.

Binnen de Nederlandse brigade, vernoemd naar prinses Irene (`vrede'), heerste aanvankelijk ,,geen discipline'' aldus Vaders. De eenheid was een allegaartje van gevluchte militairen, Creolen en Surinamers uit de overzeese gebiedsdelen, Engelandvaarders en Nederlanders uit het Franse vreemdelingenlegioen. Vaders: ,,Er werden verschillende talen bij ons gesproken, Engels, Portugees, Spaans.'' Capabele officieren waren er nauwelijks, materieel evenmin en de huisvesting liet ook te wensen over. De Nederlandse regering in Londen rekruteerde ook onder emigranten in Engeland, Canada, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Argentinië. De animo om voor Nederland te vechten was bepaald niet groot. Van de ruim 300 Nederlandse Canadezen waren sommigen te oud en een blok aan het been bij oefeningen.

Hans Sonnemans, conservator van het `Museum Brigade en Garderegiment Prinses Irene' te Oirschot, benadrukt dat het Nederlandse leger in Engeland in de beginfase nog het meest weghad van de bekende televisieserie Daar komen de schutters. ,,De ambitie om er een echte brigade (2.000 man) van te maken is nooit bereikt'', aldus Sonnemans. Getalsmatig was de eenheid een ,,versterkt bataljon'', zo'n 1.200 man. Sonnemans voegt er aan toe dat de reputatie van het onderdeel binnen de Nederlandse gemeenschap in Londen aanvankelijk ,,slecht'' was.

In 1943 volgde de omslag: de bezem ging door de groep, er kwam betere bewapening, huisvesting en training. Ter versterking kwamen honderd Nederlandse mariniers, beroepssoldaten, over uit hun trainingskampen uit de Verenigde Staten. Twee maanden na de bloedige geallieerde landing op D-day zette het Nederlandse legertje in alle rust voet aan wal in Normandië. Vaders: ,,De overtocht was goed beschermd, mijnenvegers en torpedobootjagers rond het konvooi, vliegtuigen in de lucht.'' Oud-marinier en Engelandvaarder Ton Loontjens (82): ,,Onze landing was een fluitje van een cent.'' Over het algemeen was de taak van de Irenebrigade ,,bewaken en verdedigen'', aldus Sonnemans.

Ben Schoenmaker, historicus bij het Instituut Militaire Geschiedenis, onderstreept dat de geallieerde commandanten ,,terughoudend'' waren met het inzetten van de brigade. Naast een strikt militaire had de Nederlandse eenheid vooral een politiek-symbolische functie: ,,Groot-Brittannië en zeker de Verenigde Staten voerden een oorlog met een hoog ideologisch gehalte. In hun kruistocht tegen de nazi's was een brede coalitie van groot belang. De geallieerden hebben de Irenebrigade niet voor in de strijd gegooid. Ze wilden dat de brigade `ongeschonden' Nederland zou bereiken, wat niet wil zeggen dat ze niet gevochten heeft.'' Sonnemans: ,,Als de Irenebrigade er niet was geweest, was Nederland geen dag later bevrijd. Zo eerlijk moet je zijn. Maar als stukje van het geallieerde leger heeft de brigade zich prima geweerd.''

De vuurdoop onderging de Irenebrigade in Normandië, in het fel omstreden gebied `Hell Fire Corner'. Loontjens: ,,Binnen een week hadden we zeven gewonden. Ik dacht: `Als dat in dit tempo doorgaat, dan halen we de Nederlandse grens niet eens'.'' Zij aan zij met de geallieerde legers vochten de Nederlanders zich een weg door Frankrijk, België en Nederland. Tot haar wapenfeiten behoren onder andere de bevrijding van het Franse Pont Audemer en in België de verdediging van Beeringen tegen een Duitse tegenaanval. Op 20 en 21 september 1944 trok de brigade de Nederlandse grens over bij Bergeijk.

Siem Jol, met zijn 92 jaar behorend tot de oudere veteranen: ,,Ik weet nog goed dat ik mijn carriers liet stoppen, om uit te stappen en na al die jaren weer over Nederlandse grond te lopen. Dat was een emotioneel moment.'' Evenals Vaders had Jol Nederland vier jaar niet gezien. Zelf was hij, als marechaussee, in mei 1940 via Frankrijk naar Engeland ontkomen. In eigen land was de brigade onder meer betrokken bij de bevrijding van Tilburg en de bewaking van de brug bij Grave tijdens operatie Market Garden. Luttele weken voor de Duitse capitulatie kreeg de brigade nog een dreun te verwerken. Bij een aanval op Hedel sneuvelden binnen enkele dagen twaalf manschappen. Als dank voor bewezen diensten mocht de Irenebrigade op 8 mei 1945 als eerste geallieerde eenheid Den Haag binnentrekken.

Eind 1945 werd de Prinses Irenebrigade ontbonden. Vaders zwaaide af, trouwde en vervolgde zijn carrière als deurwaarder bij de belastingdienst. Met de omschakeling van de ,,mannenmaatschappij'' naar de burgersamenleving had Vaders het ,,behoorlijk moeilijk''. Hij vertelt hoe hij 's nachts ,,badend in het zweet'' en ,,schreeuwend'' wakker werd. Zijn onlangs overleden vrouw heeft hem ,,gelukkig heel goed opgevangen''. Loontjens en Jol hadden geen problemen met oorlogsherinneringen. Wellicht komt dat omdat zij tot hun pensionering werkzaam waren bij respectievelijk het korps mariniers en de marechaussee.

Het einde van de oorlog betekende niet het einde van de traditie van de Irenebrigade. Deze is voortgezet in nieuwe regimenten die onder meer in Nederlands-Indië, Korea en in Nieuw-Guinea dienden. Huidige `erfgenaam' is het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene, gelegerd in de Generaal Majoor de Ruijter van Steveninck Kazerne te Oirschot. Sommige veteranen, zoals Vaders, voelen zich nog verbonden met het regiment. Hij correspondeerde met soldaten die in het kader van SFOR-missies naar Bosnië zijn uitgezonden.

Op symbolische wijze komt de verbondenheid tussen jongste lichtingen Irenemilitairen en de veteranen van het eerste uur tot uitdrukking in het `invasiekoord', een blauworanje herinneringskoord voor die Irenemannen, die in Normandië landden. Tot op heden zijn het oudstrijders die het koord uitreiken aan de `nakomelingen'. Jol vindt dat eigenlijk niets. Voor hem is het invasiekoord toch ,,een bepaalde onderscheiding voor een bepaalde groep''. Zijn eigen koord hangt trouwens aan de kapstok in de gang, hij heeft het onlangs nog ,,een sopje gegeven''.

De veteranen vinden dat het de Irenebrigade aan erkenning niet heeft ontbroken. Maar dat is vooral iets van de laatste jaren. Tijdens de wederopbouw en in de jaren zestig en zeventig zakte de belangstelling voor de brigade langzaam weg. De in 1947 opgerichte Vereniging van Oudstrijders fungeerde vooral als een reünistenclub om maatjes van weleer te ontmoeten. En na het officiële, militair-technische boek van Victor Nierstrasz, Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Brigade `Prinses Irene', in 1959 bleef het stil. Volgens Sonnemans moesten de veteranen in 1985 de organisatoren van het bevrijdingsdéfilé in Wageningen uitleggen wat de Irenebrigade eigenlijk was.

Over de wijze waarop wijlen Loe de Jong de brigade beschreef in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945 zijn de veteranen minder te spreken. De ontstaansfase van de brigade behandelde De Jong uitgebreid, maar in de opmars vanaf de landing in Normandië tot de bevrijding van Nederland is de Irenebrigade letterlijk een voetnoot in de geschiedenis. Loontjens vindt dit ,,een trieste zaak''. ,,De Jong heeft negatief geschreven over de Irenebrigade. Dat verdient ze niet.''

Vanaf de veertigste herdenking van de Tweede Wereldoorlog in 1984-1985 is de belangstelling voor de oorlog en de Irenebrigade sterk toegenomen. De veteranen, inmiddels allen gepensioneerd, kregen zelf ook meer oog voor hun verleden. De nadruk verschoof van `Brigadegeschiedenis' naar individuele ervaringen, wat blijkt uit het `herinneringsboek' Ik zou weer zo gek zijn: mannen van de Irenebrigade (1984) en uit tal van gepubliceerde memoires. Vorig jaar heeft Ton Loontjens zijn herinneringen geboekstaafd in Eens marinier, altijd marinier. Ook Jol is ooit begonnen zijn belevenissen op papier te zetten, maar verder dan de periode in Engeland is hij nooit gekomen: ,,Nu kom ik er niet meer aan toe een vervolg te schrijven. Ik kan de moed niet meer opbrengen, het vereist veel denkwerk. En waar maak ik me dan druk voor?''

De brigade is tevens gemusealiseerd. Sinds 1993 is er een permanente collectie over brigade en regimenten te bezichtigen op de kazerne van Oirschot. Sonnemans benadrukt dat in deze historische verzameling die voor de helft aan de Irenebrigade is gewijd, de mensen centraal staan in plaats van de gevechtshandelingen. De meeste spullen heeft hij van oudstrijders zelf gekregen. Een bezoek aan de collectie maakt deel uit van de opleiding van de militairen op de kazerne. Niet alleen in vitrines, ook in de openbare ruimte is de brigade in de loop der jaren zichtbaar geworden. Dat in het Zeeuwse Colijnsplaat al in 1952 een straat naar een gesneuvelde Ireneman werd genoemd is uitzonderlijk, pas vanaf de jaren tachtig dook de naam van de brigade op grote schaal op: in 1989 is de eerste straat ernaar vernoemd (in Wormerveer), gevolgd door pleinen (zoals in Wageningen, 1991), een viaduct in Hilvarenbeek (1992) of de brug over het Wilhelminakanaal bij Oirschot (1994).

Met het wegdrijven van de oorlog in de tijd en het verscheiden van de laatste getuigen, valt op dat het schouwspel rond de herdenkingen toeneemt. Conservator Sonnemans memoreert dat bij de herdenking van de aanval op Hedel in 1985 de organisatoren niet wilden dat er een rupsvoertuig meereed. ,,Nu is dat geen enkel probleem meer. Hoe meer voertuigen en spektakel, hoe liever!''

Sinds enkele jaren vormen een aantal leden van de Vereniging Historische Militaria een 're-enactment' groep die de Prinses Irenebrigade uitbeeldt. Groepscoördinator Richard Richter, 41 jaar en in het dagelijks leven grafisch ontwerper, benadrukt dat re-enacten geen ,,soldaatje spelen'' is, maar een ,,educatieve hobby''. Aan de hand van origineel materiaal tracht de groep het leven van de gewone Ireneman zo trouw mogelijk te reconstrueren. ,,Alsof je een foto binnenstapt. Je kunt de Irenebrigade ruiken en aanraken.'' Tot Richters eigen verbazing werkt dit ,,ongelooflijk goed''. Bij de zestigjarige bevrijding van Ede op 16 april werd de groep re-enacters ingehaald als bevrijders: ,,Het publiek stond te juichen en bedankte ons. Ik dacht: `Jullie hoeven ons niet te bedanken, maar de mensen die jullie toen hebben bevrijd!'''

De veteranen vinden het allemaal best. Vaders beschouwt het ,,een hele eer dat die jongens er tijd en geld in willen steken en hun zaligheid en liefde eraan besteden''. Ook Loontjens is verheugd: ,,Hartstikke goed! Dan gaat mijn hart weer open: kijk, zo hebben wij er ook bij gelopen!'' Alleen Jol is wat afstandelijker. Hij vindt het re-enacten ,,op zichzelf wel aardig'', maar, zo voegt hij daar onmiddellijk aan toe: ,,de werkelijkheid is anders''.

Zo lang hij nog fit is, struint Vaders in zijn Renault Mégane de herdenkingen af. Zijn rijbewijs is zojuist voor vijf jaar verlengd. Een jaar lang al is Vaders agenda rijkelijk gevuld met herdenkingsbijeenkomsten, fakkeloptochten en bevrijdingsfeesten. Hij is nog kwiek maar hij merkt ,,dat het ieder jaar minder wordt''. Loontjens vertegenwoordigt de brigade ook bij begrafenissen van veteranen en moet dus steeds vaker de deur uit. Daarentegen is het voor Jol al een aantal jaren geleden dat hij op een reünie was: ,,Ik loop zo verrekte moeilijk. In huis gaat het nog wel, maar op afstand is dat geen genoegen.'' De uitnodigingen voor de zestigjarige herdenkingen legt hij noodgedwongen naast zich neer: ,,Dat is heel jammer, maar ja, dat krijg je als je ouder wordt.''