Motorcross toe aan zelfreflectie

De belangstelling voor motorcross in Nederland is tanende; afnemende toeschouwersaantallen, een jeugdopleiding waar niet iedereen warm voor loopt en een bond die passiviteit wordt verweten. Tijd voor zelfreflectie.

De zondagmiddag loopt ten einde als Peter Verkade uit Leersum met een schalkse blik de bagageruimte van zijn luxueuze camper opent. Er wordt een mini-tapinstallatie zichtbaar, waarna de eigenaar van een sekswinkelketen een aantal biertjes inschenkt en die onder de buren verdeelt. ,,Kijk, dat vind ik nu gezellig na een dagje motorcross'', zegt de biernippende vader van de veertienjarige Maikel Verkade, die in de 85cc Grote Wielen (12 tot en met 16 jaar), het bijprogramma van de open Nederlandse kampioenschappen (ONK) in Heerde, op de veertiende plaats is geëindigd. Geen resultaat dat aanleiding geeft de tapkraan langdurig te laten stromen. Maar dat deert pa Verkade niet; een dagje crossen met de kinderen is ook een dagje uit.

Over de sportieve toekomst van zijn zoon is oud-coureur Verkade zeer uitgesproken: ,,Het wordt niks, geen mentaliteit. Ik moet hem steeds wijzen op conditietrainingen, zelf neemt hij geen initiatief. Maar mijn vrouw en ik vinden het leuk om naar wedstrijden te gaan. En zo lang dat ook voor hem geldt, gaan we er mee door.''

Als Maikel Verkade niet de toekomst van het Nederlandse motorcrossen is, wie dan wel? Jeffrey Visser (12) uit Roden misschien. De jonge Drent deed het in Heerde met een tiende plaats beter dan Maikel Verkade en heeft volgens zijn vader Fokko Visser best een goede instelling. ,,Maar ik zie voor hem geen toekomst in deze sport. Ik heb liever dat hij mijn koeriersbedrijf overneemt. En mocht Jeffrey ooit goed worden, hebben we een probleem. Dan is de sport voor ons niet meer te betalen. Nu lukt het nog, omdat hij wordt gesponsord en ik een goed draaiend bedrijf heb. Alleen al voor het crossen ben je 500 tot 1.000 euro per maand aan materiaal kwijt. Dat is voor iemand met een maandsalaris van 2.000 euro echt niet op te brengen.''

Exemplarisch voor de staat waarin het Nederlandse motorcrossen verkeert, zijn deze twee voorbeelden misschien niet, maar ze zijn wel symptomatisch voor de toekomst. De spoeling is dun. Het valt niet mee nieuwe wereldkampioenenen klaar te stomen, ook al werd oud-coureur Léon Giesbers in 2002 naast bondstrainer John van den Berk aangesteld als bondscoach. Zij moeten met de jeugd tussen de negen en zeventien jaar laveren tussen de gemakzucht en de geneugten des levens. Giesbers: ,,Nederlandse jongens zijn behoorlijk verwend. In tegenstelling tot hun concurrenten uit vooral het voormalige Oostblok. Ik ken een jongen uit Letland, die vele weekeinden 2.500 kilometer op en neer rijdt om in West-Europa aan wedstrijden deel te nemen. Dat zie ik Nederlandse crossers omgekeerd niet zo gauw doen.''

Ondanks die minpuntjes vindt Giesbers dat het met de opleiding van motorcrossers in Nederland weer de goede kant op gaat. ,,We houden centrale trainingen waar we vooral aan techniek werken en pas in tweede instantie aan de snelheid. En we zoeken bij voorkeur harde circuits, omdat de meeste grand prix' op die ondergrond worden afgewerkt. We proberen de jongeren zo veel mogelijk internationale wedstrijden te laten rijden; daar leren ze van. Aan kwaliteit ontbreekt het niet, maar of we na Pedro Tragter in 1993 weer een wereldkampioen kunnen klaarstomen, is vooral een mentale kwestie.''

Volgens de motorcrossvaders Verkade en Visser vereist die zienswijze enige nuancering. Zij kwalificeren de door Giesbers geroemde aanpak als zwak. Visser: ,,Mijn zoon wordt persoonlijk minstens zo goed begeleid door Tonny Pol. Niet dat centrale trainingen slecht zijn, maar Giesbers moet zijn aandacht over meerdere coureurs verdelen. Vijf minuten per persoon vind ik gewoon te weinig. Het ligt ook aan de bond, de KNWV. Daar gaat weinig initiatief van uit. Als rijders door de bond worden uitgezonden naar een jeugdweekend in Zweden, moeten ze zelf de kleding regelen.''

Verkade is zo mogelijk nog kritischer over Giesbers' aanpak dan Visser, maar houdt zijn kaken op elkaar ,,omdat ik niet via de krant wil communiceren, maar kritiek recht in zijn gezicht wil zeggen.'' Een andere kritische noot van beide vaders is de voorkeur van Brabander Giesbers voor motorcrossers uit zuiden; noorderlingen zouden minder vaak worden uitgenodigd.

Giesbers kent de beperkingen van zijn taak, maar vindt dat er wel progressie wordt gemaakt. Als handicaps noemt hij de inkrimping van drie naar twee klassen bij de senioren en de reisafstanden. Veel internationale wedstrijden voor de jeugd hebben plaats in voormalige Oostbloklanden, wat velen van deelname weerhoudt. Een enkele keer slaan rijders de handen ineen door gezamenlijk het transport te regelen, zoals binnenkort voor een EK-wedstrijd in Turkije.

De gesuggereerde passieve opstelling door Verkade en Visser blijkt te worden gedeeld door organisatoren van wedstrijden. Het bestuur van de Stichting Circuit Oldebroek, dat eind maart een ONK hield, heeft zelfs de KNMW een brief geschreven waarin ongenoegen over een aantal knelpunten wordt geuit. De bond ontvangt, afhankelijk van het aantal toeschouwers, een bedrag tussen de 10.000 en 15.000 euro van een organisatie, maar stelt daar volgens 'Oldebroek' te weinig professionele medewerking tegenover. De klachten variëren van late aanmelding van deelnemers, zodat het drukken van een programmaboekje in de knel komt, sponsorbijdragen die buiten medeweten van organisatoren als startgeld aan eliterijders moeten worden uitgekeerd of de verplichting om sponsors van de bond een VIP-behandeling te geven.

De brief heeft een open zenuw bij de KNWV geraakt, want Dirk Jan Wolsink, gisteren de juryvoorzitter en overdag werkzaam op het bondsbureau in Arnhem, reageerde geprikkeld. ,,Ik begrijp de kritiek niet. Van andere organisatoren horen we die klachten nooit. We hebben binnenkort een gesprek met de bestuursleden uit Oldebroek en ik reken erop dat we er dan als grote mensen uitkomen. Hier moet sprake zijn van een misverstand.''

Een wel erg rooskleurige voorstelling van zaken als blijkt dat de bond zelf al een aanzet tot zelfreflectie heeft gegeven. Martijn Spliethof, voorzitter van de motorcrosscommissie van de KNMV, vertelt dat er momenteel onderzoek wordt gedaan naar de belangstelling voor motorcross. Het is de bond een raadsel waarom de publieke belangstelling terugloopt voor wedstrijden die jarenlang vele duizenden toeschouwers hebben getrokken. Ook gisteren viel de belangstelling tegen. Met een duizendtal belangstellenden hield het op.

Spliethof: ,,We hebben studenten van de Saxion Hogeschool uit Enschede gevraagd na te gaan wat de oorzaken van de afgenomen belangstelling is en met aanbevelingen te komen om dat te verbeteren. Wij vinden een gemiddelde van 2.000 toeschouwers of minder voor een evenement als een NK de ondergrens. Zo'n wedstrijd moet wel een zeker niveau behouden. Ons streven is er op gericht om vanaf 2006 het gemiddelde op te voeren tot 5.000 à 6.000 toeschouwers. Dat is goed voor de organisatie, goed voor de sponsors en goed voor de belangstelling van de media.''

De nieuwe klasse-indeling heeft niet aan duidelijkheid bijgedragen. De 125cc, 250cc en 500cc zijn vanaf dit jaar ingewisseld voor de MX1 en MX2. De KNMV treft geen blaam; het is een initiatief van de internationale federatie FIM. Het verwarrende is dat MX1 de zwaardere en de MX2 de lichtere klasse is. In MX1 rijden tweetakten van 175 tot 250cc en viertakten van 290 tot 450cc. En in de MX2-klasse zijn dat de tweetakten van 100 to 125cc en de viertakten van 175 tot 250cc. En de ONK had nog de pech dat de twee beste Nederlandse motorcrosses en publiekstrekkers, Marc de Reuver en Erik Eggens, ontbraken vanwege een blessure. Zo viel er een schaduw over een zonnige dag op de Veluwe.