Moreel appèl werkt niet als topinkomens blijven groeien

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de groei van topinkomens kan worden getemperd. Misschien dat wetgeving op dit gebied commissarissen ertoe kan brengen in te grijpen, meent Eelke Heemskerk.

Sinds enkele jaren mogen we in het voorjaar steevast weer lezen over de extreem hoge beloningen van topbestuurders in Nederland. Dit jaar staan de pijlen gericht op de topmanagers van de nutsbedrijven Nuon en Essent. De huidige discussie werpt een aantal vragen op.

Waarom richt de verontwaardiging zich louter op bedrijven binnen de invloedssfeer van de overheid? En waarom spreekt men uitsluitend de topmanagers aan die de beloning ontvangen, en niet de commissarissen die het beleid vaststellen? Uiteindelijk zijn de beloningen bij Nuon en Essent vastgesteld in navolging van de regelingen bij vele grote Nederlandse ondernemingen, zelfs vaak door commissarissen die via het old boys netwerk stevige banden hebben in de Nederlandse bedrijfsgemeenschap. Daarom dienen we het bezoldigingsbeleid van de gehele Nederlandse corporate elite niet uit het oog te verliezen.

Dat de beloning van topbestuurders sterk is gestegen, staat buiten kijf. Hoge beloningen, en vooral de bonussen, zijn ingesteld met de gedachte dat de bestuurders dan beter hun werk doen. En stijgende inkomens zijn gerechtvaardigd als de aandeelhouderswaarde van het bedrijf toeneemt. In Nederland kennen ondernemingen sinds kort de verplichting openheid van zaken te geven over het beloningsbeleid, waardoor deze relatie niet goed kan worden onderzocht. In de Verenigde Staten daarentegen bestaat een goed inzicht in het niveau van bezoldiging. Zo lag het gemiddelde inkomen van een CEO in de top-500 in 2003 net boven de 9 miljoen dollar. De wetenschappers Lucian Bebchuk en Yaniv Grinstein van resp. de Universiteit van Harvard en Cornell onderzochten de stijging van topinkomens van 1500 ondernemingen in de VS in de periode van 1993 tot 2003. Zij tonen aan dat het inkomen van de bestuursvoorzitters in die periode met 166 procent is toegenomen. We kunnen gerust aannemen dat we in Nederland voorlopig het einde van de stijgingen nog niet hebben gezien, gegeven de beloningen in de VS. Uiteindelijk hebben we nog geen buitenzinnige situaties gehad zoals de afzwaaibonus van Bernard bij Carrefour in Frankrijk (38 miljoen euro), of het inkomen van Yahoo-topman Terry Semmel (230 miljoen dollar).

Eindelijk is er nu dan actie. De aandeelhouders van Nuon en Essent laten van zich horen. De hoge beloningen van de bestuursvoorzitters zijn niet te verantwoorden, aangezien de bedrijven slechte service leveren. Dit is interessant, omdat klantenservice niet als direct onderdeel van aandeelhouderswaarde wordt gezien. Premier Balkenende roept in navolging van voorganger Kok schande, en hij roept de aandeelhouders op om te protesteren. Maar juist hier wringt de schoen. Want waar de aandeelhouder de overheid is, heeft dit morele appèl wellicht nog zin. Het is echter een misvatting te denken dat grote aandeelhouders in Nederland problemen hebben met de hoge beloningen. De ondernemingen, verzekeraars en beleggingsinstellingen met grote pakketten aandelen in hun bezit hebben geen boodschap aan de verontwaardiging over hoge beloningen; hun eigen mensen krijgen net zo veel. Zij zijn onderdeel van de bedrijfsgemeenschap die de hoge beloningen toepast. Alleen de pensioenfondsen zouden een duit in het zakje kunnen doen, maar hun bijdrage is vooralsnog bedroevend. Tekenend is dat de PvdA zich eind jaren '90 expliciet uitsprak tegen een sociaal-maatschappelijk geïnspireerd investeringsbeleid van de pensioenfondsen. Zodoende blijft de matiging van de beloningen beperkt tot die instellingen die zich nog binnen de invloedssfeer van de overheid bevinden.

Volgens de regelgeving op het gebied van bedrijfsbestuur, tegenwoordig liever corporate governance genoemd, is het beloningsbeleid de verantwoordelijkheid van de commissarissen. Zij stellen dit vast in het belang van de onderneming in zijn geheel. Toch kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken dat het belang van de topbestuurders hoog op hun lijstje staat. Dat is ook niet zo vreemd, als je bedenkt dat vele commissarissen zelf ook in een raad van bestuur zitten, of daarvan lid zijn geweest. Het is opmerkelijk te zien dat de bestuursvoorzitter wordt aangesproken op zijn fatsoen, terwijl de heren Pennings (Essent) en Meijer (Nuon) als president-commissaris toch de hoogste in rang zijn en dus eindverantwoordelijk. De Nederlandse commissarissen lijken onmachtig, dan wel onwillig te zijn de stijging van topinkomens aan banden te leggen. Waarom grijpen ze niet in?

Hun onmacht komt niet voort uit hun formele positie en invloed, dat is bij wet goed geregeld. Maar het vereist veel moed en doorzettingsvermogen om de trend van stijgende beloningen te doorbreken.

Enkele jaren geleden hebben de president-commissarissen van de grootste beursfondsen afspraken gemaakt over het inperken van de gouden handdrukken, maar de pogingen van de commissie-Tabaksblatt om de bonussen te beperken stuitten op te veel weerstand. De raad van bestuur maakt de dienst uit. Maar het aarzelende optreden van de toezichthouders kan ook op onwil gebaseerd zijn. Of anders gezegd, de commissarissen kunnen ervan overtuigd zijn dat de hoge beloningen juist in het voordeel van de onderneming zijn. Hoge bonussen leveren prikkels aan de bestuurders om goed werk te leveren. Maar aan prikkels wen je, dus voer je de intensiteit op.

Of het nu onmacht is of onwil, steevast halen voorstanders van de stijgende beloningen de `internationalisering' erbij. De in ons land gevestigde bedrijven hebben louter nog een historische band met Nederland, ze zijn ondertussen global players geworden. De bestuurders dienen dus ook op een internationaal geaccepteerd niveau te worden bezoldigd. Maar van die markt is op een enkele uitzondering na geen sprake. Via fusies en overnames komen er steeds meer buitenlanders aan het roer van Nederlandse ondernemingen, en zij importeren de hogere salarisniveaus van andere landen. Bovendien leidt de doorlopende vergelijking met de peer group tot een continue en snelle stijging, hoewel dit niemand lijkt te deren.

Het onderliggende probleem is dat deze multinationale bedrijven geen verantwoording meer schuldig zijn aan de Nederlandse gemeenschap. Door zich te beroepen op een internationale markt, hoeft een bedrijf zich niets meer gelegen te laten aan de nationale mores. Daarom zal het morele appèl van Balkenende ook geen resultaat hebben buiten de invloedssfeer van de overheid.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de groei van de topinkomens kan worden getemperd. Commissarissen en aandeelhouders geven geen sjoege, en de macht van de overheid is beperkt.

Is wetgeving een optie? Van de kant van de werkgevers zullen we horen dat dit de concurrentiepositie van Nederland verzwakt. Maar als de concurrentiepositie inderdaad in sterke mate afhangt van de inkomens van topmanagers, heeft de Nederlandse economie heel wat grotere problemen. Bovendien, waarom dan andere beroepsgroepen niet meer betalen? Wellicht dat (de concrete dreiging van) wetgeving op dit gebied commissarissen ertoe kan brengen in te grijpen. Zij kunnen Nederland gidsland laten zijn op het gebied van Corporate Social Responsibilty, door een maatschappelijk verantwoord en transparant beloningsbeleid te voeren.

Eelke Heemskerk is politicoloog aan de Amsterdamse School voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.