Gesubsidieerd toneel zoekt breed publiek

. Uit het nieuwe repertoire van Het Nationale Toneel blijkt dat de kloof tussen vrij en gesubsidieerd werk steeds kleiner wordt. De voorstellingen zijn bedoeld voor een groot publiek.

Met het nieuwe repertoire voor seizoen 2005-2006 zet het Nationale Toneel, een gesubsidieerd Haags gezelschap, een ingezette lijn voort door voorstellingen te programmeren die ook voor een groot publiek toegankelijk zijn. Opmerkelijk aan het nieuwe repertoire is dat de kloof tussen het gesubsidieerde circuit en het circuit van vrije of onafhankelijke producenten steeds kleiner wordt.

Voor seizoen 2005-2006 brengt het Nationale Toneel twee voorstellingen, beide in de regie van Johan Doesburg, die tot het klassieke repertoire behoren. Het zijn Phèdre Racine met Ariane Schluter in de titelrol en de Griekse tragedie De Oresteia van Aischylos. Als een van de belangrijkste stukken uit het Nederlandse repertoire brengt het gezelschap Een Bruid in de Morgen van Hugo Claus. Met een stuk als Het Belang van Ernst van Oscar Wilde komt het gezelschap dicht bij het circuit van de vrije producties. Afgelopen seizoen pasten producties als Trouw van de Australische schrijfster Joanna Marray-Smith en Een Vriendendienst van Alan Ayckbourn nog het meest onder de sector van vrije producties. Ook het stuk van Feydeau, De Methode Ribadier, behoort van oorsprong tot de vrije producties.

Het Nationale Toneel stelt dat dit gezelschap streeft naar een `klassiek en eigentijds wereldrepertoire', waarin ook aandacht is voor jonge toneelmakers. De tendens van gesubsidieerde gezelschappen om repertoire te brengen uit het vrije circuit wordt door de Raad voor Cultuur, de belangrijkste subsidiegever van ons land, onderkend. In de Cultuurnota 2005-2008 besteedt de Raad aandacht aan de `vijfde' sectie van onafhankelijke producenten. Woordvoerder Paul Broekhof: ,,De onafhankelijke producenten hebben terecht een aanvraag voor subsidie ingediend voor producties die tot het `moeilijker' genre behoren. Maar in principe stelt de Raad geen geld beschikbaar voor impresariaten met een winstoogmerk. Toch is dat onrechtvaardig. Het is terecht dat de Raad in haar advies de mogelijkheid biedt dergelijke producenten ad-hoc gelden ter beschikking te stellen. Dat de beide circuits elkaar steeds meer naderen beschouwt de Raad als een verrijking van het aanbod. Maar dan moet het geld ook evenrediger verdeeld worden. Voor de nieuwe Cultuurnota zal dat het belangrijkste aandachtspunt zijn.''