Een beetje voorzichtig

Verlaag de koers van de euro, suggereerde eind vorige week de Italiaanse premier Berlusconi aan de Europese Centrale Bank, een oproep die even misplaatst als begrijpelijk was. Misplaatst omdat aan devaluatie van de Europese eenheidsmunt niet denken valt als noodmaatregel tegen de ondermaatse prestaties van de Italiaanse economie. Berlusconi heeft kennelijk heimwee naar de tijd van de lire, die – als het land weer eens een financieel-economische crisis doormaakte – doorgaans werd gedevalueerd. Met alle risico's van dien. Begrijpelijk is Berlusconi's uitlating omdat de euro inderdaad problemen heeft, die zich financieel en dus politiek doen voelen. De aanhoudend hoge koers van de euro in combinatie met de dure olie is een kolossale hindernis voor herstel van Europese economie.

De les van de vele valutacrises in de vorige eeuw is dat de kracht van een munt van binnenuit dient te komen, en niet of nauwelijks door op- of afwaarderingen kan worden vastgesteld. Het gemak waarmee Italië ooit zijn lire devalueerde, zei veel over de inherente sterkte van die munt, die gering was, en over de beginselvastheid van Italiaanse politici, wier valutaire principes ook niet van gewapend beton waren. Het verbaast dus niet dat uitgerekend een Italiaanse premier pleit voor een lagere wisselkoers van de euro. Maar dat het gebeurt, is een teken aan de wand. Europese politici hadden tot voor kort de stilzwijgende afspraak dit onderwerp niet op deze manier ter sprake te brengen. De euro was al geen idylle meer, en Berlusconi heeft met zijn suggestie het beeld verder verstoord. Openhartig is het wel, maar omdat een munt gevoelige materie is waarmee politici voorzichtig moeten omgaan, heeft hij de euro noch de eurolanden een dienst bewezen.

In de categorie onvoorzichtige uitlatingen vallen ook de woorden van de directeur (niet de president) van De Nederlandsche Bank, H. Brouwer. Die verklaarde afgelopen zaterdag in regionale kranten dat de gulden te `goedkoop' is ingeruild voor de euro, en wel 5 tot 10 procent. Hieruit kan licht de verkeerde conclusie worden getrokken dat de invoering van de euro leidde tot prijsstijgingen. Die zijn er zeker gekomen, maar hadden eerder te maken met de (te) snel groeiende economie en de aanwakkerende inflatie dan met de introductie van de eenheidsmunt. Minister Zalm (Financiën, VVD) had gelijk met zijn reactie dat de prijsstijgingen al voor de komst van de euro waren ingezet.

De euro, hoe weinig populair ook, is figuurlijk te kostbaar om er uit de losse pols mee te experimenteren of er uitlatingen over te doen die verkeerd kunnen worden uitgelegd. De letterlijke duurte van de munt valt niet te ontkennen. Het antwoord op dit vraagstuk is boven alles economische groei in de eurozone, die deels politiek kan worden afgedwongen, en financiële voorzichtigheid bij de onafhankelijke centrale bankiers in Frankfurt, de hoeders van de euro.