Buiten

Koninginnedag buiten Amsterdam, hoe was dat ook alweer?

Om hiervoor veldonderzoek te verrichten, moest ik me zaterdag tegen een uitgelaten menigte in naar het Centraal Station worstelen – een soort antiperistaltische beweging die nog net niet tot braken leidde. Ik wilde naar Bergen, eventueel ook Aan Zee. Op de heenweg schoot mijn trein langs perrons van buitenplaatsen als Wormerveer en Uitgeest, afgeladen met joelende en bierdrinkende jongeren die op de trein naar Amsterdam wachtten. Zelden heeft zich zo'n euforisch gevoel van me meester gemaakt, alsof ik aan een groot onheil was ontsnapt.

In Alkmaar ging de tocht per gehuurde fiets verder via een route die door een fraai, klein natuurgebied, de Bergermeer, voerde. Het fietspad liep langs een golfterrein waarop sommige mannen met oranje hoedjes op hun kop stonden te putten. Even verderop hing een roofvogel boven het grasland te bidden. Die hoedjes! beduidde ik hem, maar hij keek met weerzin de andere kant op.

In het centrum van Bergen keek ik mijn ogen uit. Dat dit nog bestond! Geen biertappen en plaskruizen op straat. Nergens het geluid van brekend glaswerk. Niemand die een liedje van André Hazes probeerde mee te brullen. Er was zelfs een kunstmarkt in het centrum.

Ik bevond me opeens in een schuldeloze wereld waarin aan lange tafels simultaanschaak werd gespeeld, waarin het oude treintje Bello weer even van stal werd gehaald, waarin de Bergensche Harmonie kloeke aubades bracht, waarin de Vrijwillige Brandweer Bergen ritten met de oude ladderwagen hield, waarin Scouting de Heerlijkheid nog aan broekhangen en pannenkoeken bakken deed.

Daar tussendoor flaneerden de Bergenaren, jong, middelbaar en oud, in cirkels om de Ruïnekerk – wat best een poosje is vol te houden voor je duizelig wordt. Ja, dit was de Koninginnedag zoals ik me die uit een ver verleden herinnerde. Gezapigheid troef. De wezenloosheid ervan doet niet onder voor die van de Amsterdamse Koninginnedag, maar het is, hoe zal ik het zeggen, een onbedorvener soort wezenloosheid. De kinderen vermaakten zich en hun ouders verveelden zich te pletter, zonder het te laten blijken.

In het bekende café `Het huis met de pilaren' rustte ik even uit. Nog perzische kleedjes op de tafeltjes, houten stoelen met groen leer en ingetogen, grijze dames die van hun sherry nipten zonder op hun sjaaltje te morsen. Op de wc echte handdoekjes die je na gebruik in een mand mag werpen. ,,Wilt u ze niet als dank meenemen'', stond er op een papiertje, want we moeten niet denken dat de tijd in Bergen altijd stilstaat.

Buiten waarschuwde een ragfijne motregen me voor een fietstochtje naar zee. Ik liep nog maar een rondje om de Ruïnekerk en kwam voorbij de Eerste Bergensche Boekhandel, waar een zekere Albert Jansen de vorige avond een lezing had gehouden over zijn boek Ziek beter best. De gangbare geneeskunde beschouwt ziekte als een vijand, maar Jansen ziet ziekte als iets positiefs, `als beschermer voor de eigen waarheid'.

Als Koninginnedag onze ziekte en onze vijand is, dacht ik, dan hebben ze hem in Bergen op een aardige manier verslagen.