Amor fati

De romanist Victor Klemperer hield in Duitsland in de jaren dertig een dagboek bij waarvan alle delen van 1933 tot 1945 uitgegeven zijn. Een aantal jaren geleden verscheen er een Nederlandse vertaling in drie delen van ruim 500 pagina's elk, en in deze tijd van het jaar, en ook wel gewoon in het algemeen, is er alle aanleiding om die dagboeken eens te lezen, te meer daar Klemperer een interessante, opmerkzame, intelligente man geweest is.

Het is altijd wonderlijk om mee te kijken met de tijd en niet terug, zoals we gewend zijn te doen bij grote gebeurtenissen. Klemperer, zelf joods, weet niet in 1933 dat de Nationaal Socialisten nog twaalf jaar aan de macht zullen blijven, dat ze heel Duitsland zullen verwoesten, dat ze de vernietiging van de joden op het oog hebben hij weet wel dat hun bewind voor joden niets goeds betekent, dat hij het weerzinwekkende lui vindt, dat Hitler razendsnel alle macht aanzich trekt, dat alles wat de Duitse en de Europese cultuur voor hem en vele anderen vertegenwoordigde, nu onbelangrijk en, sterker, zelfs verkeerd wordt gevonden. Je ziet hem in 1934 de tekenen van de tijd lezen en alles interpreteren: klonk Hitler in die toespraak niet als een man in het nauw? ,,Ik heb een bijna menselijk medelijden met Hitler. De man is verloren en vóélt dat (...)''. Zal de Reichswehr de macht grijpen en de nazi's afzetten? Zal de droogte en de daarbij behorende slechte oogst Hitler ten val brengen? Steeds weer vragen, waarop de lezer het antwoord al lang weet. Maar die wel de voortdurende angst, afkeer en wanhoop duidelijk maken.

De Klemperers hebben een stukje land waarop ze een huis willen bouwen, maar het lukt met geen mogelijkheid om daar geld voor bij elkaar te krijgen. De toekomst is onzeker, Klemperer weet dat hem ontslag boven het hoofd hangt, zijn studies worden niet langer gepubliceerd, zijn vrouw, die pianiste is, verkeert al meer dan een jaar in een crisis en speelt nauwelijks. Ze doen allerlei pogingen om geld te lenen of krediet aan te vragen, maar tevergeefs. Dan gebeurt er een wonder een kennis die door de nazi's verplicht wordt haar Engelse bezittingen te verkopen, wil het dan vrijkomende geld als een langdurige hypotheek met een lage rente verstrekken voor de bouw. Klemperer is verrukt, en vertelt aan iedereen: ,,Met behulp van de Führer heb ik geld om te bouwen, waarlijk, met behulp van de Führer!'' Het leven is zo onwaarschijnlijk geworden dat Klemperer schrijft: ,,Ik word almaar fatalistischer en leer steeds meer af over de laatste dingen na te denken. Hoe goed heeft de naïeve en vrome mens het. In mijn plaats had hij al die slechte dagen op God vertrouwd en hem nu gedankt. Ik kan geen van beide.''

Enig fatalisme zou vast helpen, al lijkt Klemperer daar ondanks zijn bewering van het tegendeel weinig aanleg voor te hebben. Een paar weken verderop, bij de dood van de zoon van een hoogleraar theologie, citeert hij de tekst boven de rouwadvertentie ,,De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen'' en verzucht: ,,Theologen hebben het makkelijk.''

Het wonderlijke is dat juist de geloofshoudingen die hij opvoert, meer met fatalisme te maken hebben dan zijn eigen paniekerige reacties.

Het is gemakkelijk om zo'n uitspraak als ,,God heeft gegeven, God heeft genomen'' afstotelijk te vinden het ligt zo dicht bij nog ergere beweringen zoals dat het ,,de wil van God'' is dat je kind sterft. Maar aan de andere kant is het een andere manier om te zeggen: zo gaat het, hier kunnen we niets aan doen. Eigenlijk lijkt het enorm op het amor fati van de Stoïcijnen, die er geen god bij haalden, maar zich wel voornamen om het leven te accepteren zoals het komt en sterker nog: alles wat gebeurt te aanvaarden alsof men het zelf gewild had. Niet voor niets wordt Seneca door de 13de-eeuwse mysticus Meister Eckhart weer met instemming aangehaald (,,een heidense leermeester zegt'') de liefde tot God verschilt nauwelijks van de liefde tot het lot. Ook de door Klemperer benijde ,,naïeve en vrome mens'' is in wezen fatalistisch: hij vertrouwt op God, dus hij geeft zich over aan de gebeurtenissen zoals ze komen en hij is vervolgens dankbaar als zich iets ten goede keert. Nu zou een stoïcijn wellicht geen dankbaarheid voelen – jegens wie? Het is natuurlijk ook die dankbaarheid die het weer wat ongemakkelijk maakt, hoe begrijpelijk die ook is als het lot ons een beetje gunstig gezind is. Dan ontsnapt iemand al gauw een ,,god dank'' of ,,de goden zijn mij gunstig gezind'' hoe onredelijk dat voor een verstandig mens ook is, want er kan geen god zijn die ingrijpt in de gebeurtenissen om een of ander individu een pleziertje te doen. Zo'n god zou pas echt amoreel zijn. Dat is ongetwijfeld ook waar Klemperer op doelt.

Het probleem zit hem vooral in dat beeld van God als een reusachtige lieverd die almaar wil wat wij prettig vinden. En praten over de wil van God als iets dat betrekking heeft op ieders hoogsteigen leven, maakt het allemaal ontzaglijk moeilijk.

Onlangs las ik dagboekfragmenten van leden van de Sonderkommando's in Auschwitz. Ze hebben getuigenissen en brieven aan de wereld na hen geschreven en die begraven in de buurt van de crematoria. Sommige van die begraven brieven en dagboeken zijn later weer gevonden en nog weer veel later uitgegeven. Ze berichten over het onvoorstelbare leven dat zij en hun collega's gedwongen worden te leiden. En ze schrijven ook over het geloof – dat velen van hen hun geloof verloren hebben, maar dat anderen er juist toe gekomen zijn of dat hun geloof zich verdiepte.

Dat geloof, hoe moeilijk we ons ook in de geestesgesteldheid van mensen met een dergelijk lot kunnen inleven, kan onmogelijk dat naïeve god-heeft-het-beste-met-mij-voor-geloof geweest zijn. Ze ontleenden wellicht eerder kracht aan iets dat ze niet begrepen, aan een beeld zoals Etty Hillesum dat had, een beeld van (bovenmenselijke) goedheid en liefde dat ook daar, ook onder de verschrikkelijkste omstandigheden hooggehouden moest worden.

Niet door een of andere god, maar door haarzelf. Ook zij was in staat alles wat haar overkwam te aanvaarden, met grote moeite soms, uiteraard, maar ze wilde dat wat ze belangrijk vond aan het leven – liefde, vreugde – niet opgeven, omdat ze dan het leven zelf op zou geven.

Zij noemde die kracht in haar `god'. Seneca noemt dat amor fati. De meesten van ons kunnen, net als Klemperer, geen van tweeën opbrengen. Maar dat maakt die anderen niet naïef, of zelfs dom. Integendeel. Die zijn heel sterk.