Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Valse dageraad dreigt voor Europa

Het schemert in de euro-economie. De jongste groeiprognoses zijn zonder uitzondering somber. Het is onduidelijk of met de schemering de ochtend of de avond van de conjunctuur wordt aangekondigd.

Eensgezind teneergeslagen, zo luidden de jongste prognoses voor de euro-economie al. Zowel het Internationaal Monetair Fonds (IMF) als de Europese Commissie als de Europese Centrale Bank (ECB) ramen de economische groei van de eurozone voor 2005 op 1,6 procent. Dat is, na vier jaar van stagnatie, nog steeds onder het lange-termijngemiddelde, dat iets boven de 2 procent ligt.

Een reeks van nieuwe data deze week suggereert dat zelfs de prognose van 1,6 procent nog aan de hoge kant kan blijken. Afgelopen maandag kwam de toonaangevende Duitse Ifo-indicator voor het vertrouwen van het Duitse bedrijfsleven binnen op zijn laagste niveau sinds 2003. De indicator daalt nu al drie maanden achtereen, hetgeen econoom Gabriël Stein van het Britse Lombard Street Research deed denken aan het Japan van 1997.

Destijds leek de economie daar telkens uit het dal te klimmen, om vervolgens toch weer terug te zakken. Wie naar Duitsland en een groot deel van hele euro-economie kijkt, kan zich niet onttrekken aan de indruk dat zich ook hier een reeks van `valse dageraden' dreigt te voltrekken. Op diezelfde maandag dat de Duitse indicator tegenviel, bleek ook die van de Nationale Bank van België wederom te zijn gedaald. De Belgische graadmeter geeft over het algemeen een goed beeld van hele eurozone, en dat bleek op woensdag toen de Franse Insee-indicator eveneens naar beneden wees, gevolgd door de Italiaanse afgelopen donderdag.

Dat laatste was die dag reden voor de Italiaanse premier Berlusconi om de Europese Centrale Bank op te roepen te streven naar een lagere wisselkoers voor de euro. Die suggestie – die nog maar een paar jaar geleden absoluut not done was onder Europese politici – geeft aan dat de makkelijke keuzes niet langer mogelijk zijn in de eurozone. Devalueren, altijd de Italiaanse nooduitgang, is er sinds de invoering van de euro niet meer bij. De kracht zal van binnenuit moeten komen, en daar schort het nog aan.

Even leek het begin van dit jaar weer opwaarts te gaan met de economische groei in het eurogebied, maar naast de nationale indicatoren wijzen er meer graadmeters op naderend onheil. De leidende OESO-indicator voor het eurogebied, waar een Duitse zakenbank als Dresdner Kleinwort Wasserstein veel waarde aan hecht, is al bijna een half jaar op de terugtocht. En ook de Europese purchasing-managersindex – een uit de Verenigde Staten overgewaaide en steeds populairdere peiling onder ondernemers in Europa – gaat de verkeerde kant op.

De vraag is nu of de eurozone in een tijdelijke dip raakt waar later dit jaar weer overheen gegroeid wordt of dat er een langere periode van stagnatie aan komt. Voorlopig houden vrijwel alle instituten en bankanalisten het op het eerste. De prognoses voor 2006 zitten vrijwel zonder uitzondering op een economische groeivoet van rond de twee procent, hetgeen een nieuwe versnelling in de loop van dit jaar suggereert.

Zo ver is het nog niet. Eerst zal de dageraad werkelijk moeten doorbreken. De dure olie hindert het Europese herstel, en de hoge eurokoers, die nu al meer dan een half jaar stand houdt, begint nu pas pijn te doen. Donderdag kwam de Amerikaanse economische groei over het eerste kwartaal binnen op 3,1 procent op jaarbasis – veel lager dan de 3,8 procent die was verwacht. Ook van de blijvende impuls van de Amerikaanse exportmarkt moet niet al te veel worden verwacht.

Berlusconi's oproep aan de centrale bankiers in Frankfurt mag dan misplaatst zijn, zijn oproep wijst wel op het probleem waar de ECB op dit moment mee zit. Enerzijds is er een theoretische angst voor oplevende inflatie wanneer de hoge energieprijzen zo lang aanhouden dat zij doordringen in de prijzen van andere goederen en diensten, en zo zorgen voor een opwaartse inflatiedruk. En er is de blijvend forse groei van de geldhoeveelheid, die volgens de laatste data nog steeds, met 6,5 procent, ruim boven het tempo zit dat de Europese Centrale Bank veilig acht voor toekomstige inflatie.

Of de huidige lage geldmarktrente van 2 procent die de ECB hanteert daarom omhoog zou moeten, is de vraag. Anderzijds is er de nieuwe tegenvaller in de economische groei. Die is nog niet te zien in de groeicijfers over het eerste kwartaal, die de komende weken zullen worden gepubliceerd, maar al wel voelbaar in de stemmingsindicatoren. Die lage groei kan er voor zorgen dat de inflatie zelf ook lager uitpakt – of in sommige delen van de eurozone zelfs richting nul gaat. Wat te doen?

De centrale bankiers in Frankfurt zouden evengoed naar de lange-termijnrentes op de Europese obligatiemarkt kunnen kijken. De effectieve rente op tienjarige Duitse staatsobligaties bereikte deze week een diepterecord van 3,37 procent. Dat lijkt gunstig, zo'n lage rente. Maar het is een teken dat veel meer hoort bij een avond- dan bij een ochtendschemering.