Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Sport

Oude wonden en harde handen

Handdoek, zonnebril, blonde krullen. Gerard Meijer (69) is sinds 1959 verzorger bij Feyenoord. Hij miste één duel. In de kelder van De Kuip zit hij urenlang op zijn praatstoel. Een kruk in dit geval, de rug en een knie doen pijn. Een monoloog.

,,Ik ben een echte Rotterdammer, een jongen van de oorlog. We woonden in het Oude Westen, ik zie nog de Duitse bommen op het centrum vallen. Die krengen staan voor altijd op mijn netvlies. Later deden de Engelsen het nog eens dunnetjes over. Iedereen gillen, rennen, schreeuwen. Allemaal blijvers in het hoofd. Mijn vrienden zijn in de ondergrondse doodgeknald. Mijn vader was een avonturier, hij haalde overal en nergens te eten. We hebben wat afgerommeld en afgescharreld in die tijd. Zo kwamen we heel goedkoop aan suikerbieten. Later aten we aardappelschillen. Die oorlog heeft me gevormd. Voor mij is ouwe koek ook lekker. Die jonge gasten zien het op tafel liggen en kieperen het zo de vuilnisbak in.

,,Van huis uit ben ik een echte Spartaan. In de jeugd heb ik daar nog met Tinus Bosselaar gevoetbald. Ik was een simpele rechtsback, die meer liep dan voetbalde. En ik kon er ook aardig tegen aan kleunen. Ik zat bij Sparta ook op honkbal. In de wintermaanden deed ik in de kantine van het Kasteel de conditietraining. Mijn vader was Teun Meijer, een begrip in Rotterdamse sportkringen. Hij was verzorger op een boksschool. Hij trainde in de oorlog Duitse soldaten. Sport is sport. Daar moet de politiek zich tegen aan bemoeien.

,,Ik zat op de ambachtschool en leerde voor automonteur. Ik heb ook nog diergeneeskundig onderzoek gedaan: varkenspest, kippenpokken, dat soort werk. Via mijn vader raakte ik besmet met het massagevirus. Ik kon als jonge knaap in Kralingen bij Excelsior terecht. Een paar jaar later maakte ik de oversteek naar Feyenoord. Dan praten we over 1959. Voor de eerste wedstrijd reed ik op m'n scootertje naar De Kuip, met verbandtrommel onder de bagagedrager. Ik zeg altijd: ik ben op Spangen opgegroeid en in Zuid volwassen geworden.

,,Voor mij zijn de afgelopen 46 jaren een grote film. Ik heb één wedstrijd gemist. We gingen toen met de bus naar Den Bosch of ergens anders in Brabant. In de buurt van Gorkum begon alles om me heen te draaien. Toen hebben ze bij een motel afgezet en heb ik een taxi terug naar huis genomen. Wanneer dat was? Geen idee. Mijn memorie laat me nog wel eens in de steek.

,,In de voetballerij maak je weinig vrienden, wel kennissen. Zo komt Ove Kindvall met Pinksteren uit Zweden over. Die zal hier wel effe aanwaaien. Dan maken we een praatje en is het weer ouderwets gezellig. Hij heeft ons in 1970 toch mooi aan de Europa Cup geholpen. Een fijn mens. Beer Kreijermaat is nog steeds een goeie vriend van me. Toen hij ging scheiden en geen dak boven zijn hoofd had, heeft hij nog een tijdje bij mijn ouders geslapen. Lagen we in hetzelfde bed. Ik hoor hem nog krijsen, toen hij een dubbele beenbreuk opliep. Die kreten knalden zo het stadion uit.

,,Vroeger was het onschuldiger, minder professioneel. In de kleedkamer werd tot vijf minuten voor de wedstrijd alleen maar lol gemaakt. Dan praat ik over de beginjaren zestig. We gingen na een wedstrijd vaak spontaan met de vrouwen een avondje dansen. Nu hebben we onze vaste avondjes bij de dokter thuis. De tijden zijn veranderd. We zijn hier niet alleen om lol te maken. Ik werk nu in een medisch team, met een arts en twee fysio's. En we hebben een eigen chirurg in het ziekenhuis.

,,Het lichaam is ook veranderd. Dan praten we over de degeneratie van de mens. De spelers zijn blessuregevoeliger. Door alle krachttraining wordt de spanning op de spieren te groot. Verder hebben ze door het verkeerde schoeisel eerder knieletsel dan vroeger. Ze hebben sleetjes in plaats van noppen en daar komen ongelukken van. Ze glijden veel vaker uit. De trainer wordt er ook gek van. Ik geloof heilig in ouderwetse noppen. Alleen Dirk Kuijt heeft nergens last van. Die knaap is zo sterk, hij scheurt in het veld zijn schoenzolen af. Er brandt wat los, als hij op gang komt.

,,Vroeger was het meer `recht voor uit en knallen maar'. In vergelijking met toen heb ik nu een luizenbaan. Ik behandel geen sportletsels meer. Daar hebben we vakmensen voor. Maar ik heb nog werk zat, maak je geen zorgen. Laat de ouwe maar schuiven. Deze massagekamer is misschien een rommeltje, wel een gezellig rommeltje. Een soort museum, met al die foto's en prullaria. Dit is mijn huissie. Ik maak nog steeds dagen van elf, twaalf uur. Ik hou niet van collega's die op hun horloge kijken of ze al mogen stoppen. Zelf denk ik wel eens het omgekeerde: verdomme, de dag is al weer voorbij. Zonder liefde voor je werk heb je ook geen drive.

,,Ik ben een pure praktijkjongen. Bijna zeventig, de rug en de knie willen niet meer, maar met mijn handen is niks mis. Vraag het aan onze keeper, Patrick Lodewijks. Die lag hier net nog te piepen en te kreunen op tafel. Pijn doen is niet moeilijk, maar het moet een functie hebben, ik moet de spelers wel beter maken. Die gasten weten dat ik altijd voor ze klaar sta. Alleen vergeten ze nog wel eens waar de grens ligt met hun geintjes. Als ik met een pedicure bezig ben, een gevaarlijk werkje, mag er niet gedold worden.

,,Ik heb er nooit verkeerd op gestaan, ook niet bij de supporters. Die scanderen altijd mijn naam en dan wuif ik automatisch met mijn handdoek terug. Dat is nu een vast ritueel. Die handdoek gebruik ik ook om aandacht te trekken voor een wissel. Helemaal in het begin had ik een roodwitte bij thuiswedstrijden en een blauwwitte bij uitwedstrijden, in de kleuren van de shirts. Die handdoek is nu mijn handelsmerk, vroeger was dat mijn snelheid. Ik liep de andere verzorgers er makkelijk uit. Behalve Salo Muller van Ajax. Met hem had ik een heel vriendschappelijk band. Uit respect bleef ik naast hem lopen. De mensen stonden op de banken.

,,Ik heb ook nooit een probleem Rotterdam-Amsterdam gezien. Het is een normale rivaliteit, meer moet je er niet achter zoeken. De spelers heben ook niks tegen elkaar, alleen de supporters. Ik ben helaas vergroeid met vandalisme. Feyenoord heeft meer supporters dan de andere clubs, dus is hier ook meer rottigheid. De stewards krijgen een knal voor hun kop, als ze te streng zijn. Ze mogen nog minder dan de politie en zelfs die heeft het vandalisme niet in de hand. Voetbal krijgt de schuld van alles, maar die gasten gaan net zo makkelijk naar een ijshockeywedstrijd om daar de hal in brand te steken.

,,De mentaliteit is verpauperd. Een kwestie van te veel welvaart en te weinig normen en waarden. De luxe houd je niet tegen. De voetballers zijn natuurlijk vreselijk verwend, ze beseffen het niet eens. Ik hielp als klein jongetje de melkboer en de groenteboer om een paar voetbalschoenen met stalen neuzen te kunnen kopen. Nu staat alles voor ze klaar. In Engeland moeten die jonge gasten tenminste nog de kleedkamer schoonmaken.

,,Ik merk het aan de tassendragers. De meesten staan liever met de handen in de zakken dan dat ze ome Gerard helpen. En toch zullen ze wel moeten, want zonder mij vertrekt de bus niet en ze willen allemaal snel thuis zijn. Maar ze doen het nooit uit zichzelf. Vreemd eigenlijk, in het veld moeten ze ook vuil werk voor elkaar opknappen. Rinus Israël en Willem van Hanegem stonden trouwens ook niet te dringen. De spelers voelen zich te groot om een tas te sjouwen. Op een trainingskamp praat je al gauw over 900 kilo baggage. Dan laat ik graag m'n grote bek horen, als ze niet voor me klaar staan.

,,Natuurlijk is dit seizoen tegengevallen. Het kan niet altijd gloria zijn. Feyenoord is een club van pieken en dalen. Als iets niet goed is, springen de supporters er op af, maar de volgende zondag zit De Kuip weer vol. De ouderen zitter er langer mee dan jongeren. Wij zijn conservatiever, staan langer bij iets stil. Wij dragen ook het Feyenoord-gevoel. Toch ga ik na een nederlaag niet met de pest in m'n lijf naar huis. Ik hoop alleen dat de groep lering trekt uit een nederlaag.

,,De jongeren moeten nog beseffen wat Feyenoord betekent. Dat gevoel moet groeien. Sommige spelers leven nog in een kinderwereld. Als ze hier een spelletje op tv doen, zijn het net gillende keukenmeiden. Hoort ook zo, een jonge knul moet zich niet als een ouwe lul gedragen. Die gasten uit de Afrikaanse landen weten helemaal niet wat ze meemaken. Ze zijn niks geen luxe gewend en gedragen zich als prinsen. Toch probeer ik me in die knapen te verplaatsen. Ze komen uit een andere cultuur, ze zijn trots. Ik ben gewend de dingen hard en direct te zeggen, maar bij een Egyptenaar moet je er niet doorheen maar omheen praten.

,,Ik lul vaak een eind weg. Beetje Spaans, beetje Duits, beetje Engels, beetje Rotterdams. Alleen met Song kreeg ik geen contact. Ik zag hem met de dag verder wegkwijnen. Praten, praten, praten. Koreaanse tolk erbij, niets hielp. Song was een zorgenkind waar ik niks aan kon doen. Verder valt het mee qua eenzaamheid. Die jonge gasten wonen met z'n allen op Zuid. Nee, met de sfeer is niks mis, wat er ook geschreven wordt. Alleen de resultaten vallen tegen. We missen een leiderstype, zoals Paultje Bosvelt. Die noemde me altijd `opa'. Van hem kon ik het hebben.

,,Vroeger had ik minder overwicht op de groep. Het waren vaak leeftijdgenoten. Gerard Kerkum was zelfs ouder. Nu ben ik voor mannen als Hossam Ghaly een soort vaderfiguur. Hij heeft zijn ouwe heer verloren en dan praat ik op die jongen in. Hij zocht iets wat hij niet meer had. Ik ben een rustpunt voor de spelers. Sommigen zien mij als uitlaatklep en leggen bij mij hun ei op tafel. Ik heb een dienende taak. Daarom geef ik ook zelden of nooit interviews. Ik sta liever niet in de schijnwerpers.

,,Het is leuk om met jonge gasten werken. Ze houden me jong. Ze geven me achteraf vaak gelijk, als ik ze heb gewaarschuwd voor het een of ander. Ik krijg respect en waardering; dat streelt en blijft strelen. Ik durf een grote mond op te zetten. Laatste zei een jonge fysio: `Als ik dat tegen de spelers had gezegd, kegelden ze me zo de kleedkamer uit'. Ik zeg altijd: `Niet zeiken, maar luisteren en doen'. Een ouderwetse Rotterdammer dus.

,,In de kleedkamer kun je elkaar tegenwoordig bijna niet meer verstaan. Daar staat dan zo'n joekel van een gettoblaster met cd'tjes van DJ Tiësto. Die muziek knalt door de muren heen. Gullit houdt er ook wel van. Ik luister nu zelf naar Arabische muziek in de auto. Mijn kennissen zitten dan met hun oren te klapperen. Weet je, Feyenoord houdt me jong. De meeste van mijn leeftijdgenoten zijn stil blijven staan. Ik sta midden in het leven, een rumoerig leven.''