Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Het opperhoofd in de grote wigwam - waarom koningin Beatrix nooit een gewoon mens kan zijn

Het is de vraag of koningin Beatrix echte vrienden heeft. Haar leven is altijd anders dan dat van alle mensen om haar heen. En haar beroemde dossierkennis – is dat niet een vergeefse poging om bij de alledaagse werkelijkheid terecht te komen?

Wat betekent het eigenlijk voor een mens om erfelijk belast te worden met het koningschap? Niemand lijkt zich ooit serieus in deze vraag te willen verdiepen. Waarom zou men ook. Koning(inn)en vormen een kleine minderheidsgroep die op het eerste gezicht geen behoeftige indruk maakt. Daarom doen we de kwestie meestal af met het cliché dat het koningschap weliswaar een loden last is, maar dat er ook grote voordelen tegenover staan. Maar die vaststelling houdt de koninklijke mens op afstand. Net zoals het spreekwoord dat geld niet gelukkig maakt, niet helpt om Bill Gates te begrijpen.

En ook als we het wel zouden willen, ons verplaatsen in de koningin, blijkt dat moeilijk. Er wordt zo vaak gezegd dat Beatrix ,,toch een mens is van vlees en bloed'', dat je aan haar mens-zijn haast zou gaan twijfelen. Dat het moeite kost om Beatrix als mens te zien, komt omdat zij met haar koninklijke status boven iedereen uittorent. Daardoor blijft zij verstoken van de werking van het principe van wederkerigheid. Dankzij dat principe is de mens, die van nature alleen maar in zichzelf is geïnteresseerd, (soms) toch geneigd om zich met anderen te bemoeien. Het besef dat wat anderen overkomt, ook onszelf kan overkomen, zorgt ervoor dat we met elkaar begaan zijn, elkaar kunnen begrijpen, bereid zijn om hulp te verlenen, te verzorgen, enz.

Een voorwaarde voor dit `altruïsme' is de wetenschap dat je met elkaar in hetzelfde schuitje zit. Maar de koningin zit met niemand in hetzelfde schuitje. Geen andere Nederlander komt zijn of haar gezicht tegen op de Nederlandse munt, niemand anders wordt van jongs af aan toegejuicht door menigtes zonder daarvoor iets bijzonders te hebben gedaan, bij niemand anders ligt de maatschappelijke carrière bij de geboorte al vast.

De enigen die zich met Beatrix kunnen identificeren, zijn haar familieleden en haar buitenlandse collega's. Maar ook tot hen is er afstand.

Beatrix is geen gewoon familielid. Haar oudste zoon Willem-Alexander noemde haar ooit het ,,opperhoofd in de grote wigwam''. In zijn carrière is hij van haar afhankelijk, wat de persoonlijke verhoudingen wel moet compliceren. Als er besloten moet worden welke adellijke titels nieuwe familieleden moeten krijgen, is het schoonmoeder, tante, zuster of grootmoeder `Trix' die beslist.

Met sommige buitenlandse collega's heeft Beatrix weliswaar een bijzondere band, maar met hen deelt ze weer geen nationale identiteit. Daardoor valt ze ook weer buiten hun schuitje.

Beatrix deelt haar werkelijkheid met niemand. Vriendschappen zijn lastig voor de koningin, omdat ze haar dwingen van rol te veranderen, van verheven koningin naar gewoon mens. De potentiële vrienden op hun beurt weten niet wanneer ze met de koningin en wanneer ze met de mens van doen hebben. Eenieder die de koningin ontmoet, voelt afstand. Bij haar, maar ook bij zichzelf.

De afstand die er tussen Beatrix en `de anderen' is, wordt gecompenseerd door de enorme bereidheid van die anderen om in haar gezelschap te verkeren. Maar de vraag of de koningin vrienden heeft, wordt door ingewijden altijd beantwoord met een lange stilte. ,,Er zijn wel mensen die dénken dat ze met haar bevriend zijn'', luidt ook vaak het antwoord. Wie of wat vrienden zijn, is moeilijk te definiëren. Maar voor degenen die zich als vrienden van de koningin beschouwen, geldt in ieder geval dat háár leven in de verste verte het hunne niet is. Hún begrafenis komt niet live op tv, om maar een voorbeeld te noemen. De koningin kan hun nog zoveel attente kaartjes, foto's of Sinterklaasgedichtjes sturen, zij kan met hen moeilijk het gevoel hebben van een gedeelde lotsbestemming, een gevoel dat toch de smeerolie is van menselijk contact.

Tijdens de ziekte van Claus vroeg de koningin veel mensen in haar omgeving om hulp en advies, ook op onverwachte momenten. Dat wekte bij sommige kennissen enige bevreemding. Zij kreeg weliswaar de hulp die zij vroeg, (tegen Haar zeg je niet: bel morgenochtend maar terug) maar haar noodkreet wekte ook verwarring – van een koningin wordt niet verwacht dat zij vragende partij is. De koningin is behalve mens altijd ijkpunt. Kinderen leren van hun ouders met mes en vork te eten voor als ze later bij Haar op bezoek moeten, zij is onderwerp van dromen en verhalen en ook in het echt kan zij een zaal vol met druk pratende mensen bij binnenkomst in één klap in de houding doen springen. Dat die koningin jou om hulp vraagt, blijft, hoe goed je haar ook kent, toch merkwaardig. Mensen die Beatrix goed kennen, spreken over haar ook altijd met een curieus soort afstandelijkheid; alsof ze het hebben over een zeldzame diersoort.

Het krijgen van contact met wat `echt' is, gaat voor de koningin niet vanzelf. Het is een opgave; zij moet er een heel eind haar paleis voor uitkomen. Omdat zij als koningin feitelijk boven de werkelijkheid staat, moet zij haar best doen om in die werkelijkheid ervaring op te doen. Zij gaat jaar in jaar uit op werkbezoek. Maar geconfronteerd worden met een rij voor de kassa van Albert Heijn, een op hol geslagen dienstregeling van de NS of uitverkocht brood, maakt geen onderdeel uit van het programma. Hoe modern Beatrix ook is, aan het syndroom van Marie Antoinette, de laatste Franse koningin die ieder contact met de werkelijkheid was verloren, valt in haar positie moeilijk te ontsnappen. Net als haar voorgangsters Juliana en Wilhelmina lijkt Beatrix zich van haar aangeboren handicap – afstand tot het `echte' leven – bewust en probeert zij die te overwinnen. Juliana deed zich voor als `gewone oma' die niet anders was dan anderen. Wilhelmina laafde zich tijdens de TweedeWereldoorlog aan het contact met de Engelandvaarders. Beatrix is altijd op zoek naar `inhoud', getuige ook haar veel geroemde dossierkennis. Maar zoals de behoefte van Juliana om `gewoon' te zijn, onrealistisch was, en Wilhelmina's behoefte aan daadkracht grensde aan zelfoverschatting, zo lijkt de behoefte aan inhoud van Beatrix gedoemd een zoektocht te blijven. Want verheven boven de praktijk blijft haar kennis altijd theorie.

Tussen haar en anderen, die bij gebrek aan koninklijke beschermingslaag wél (hard) met de werkelijkheid worden geconfronteerd, gaapt een kloof. Beatrix bezocht enkele jaren geleden samen met Claus en haar zoons een Duits concentratiekamp in gezelschap van een kennis die daar zelf gevangen had gezeten. Willem-Alexander vloog de kennis met diens familie er persoonlijk naartoe. Waar het bezoek voor de koninklijke familie een uiting was van betrokkenheid, herinnert een familielid van het kampslachtoffer het zich juist als een vervreemdende ervaring. Daar loop je dan, op zo'n emotioneel moment, gearmd met notabene de koninklijke familie over het terrein. De anecdote illustreert de wil van de koninklijke familie om deelgenoot te zijn, maar maakt de vergeefsheid van dat streven tevens pijnlijk duidelijk. Het verdriet van kampslachtoffers (en hun nazaten) ís immers niet of nauwelijks deelbaar. Zou Beatrix wel anders gewend zijn? Gaapt er niet altijd een kloof tussen haar en `de anderen', ongeacht wat zij hebben meegemaakt? Misschien is de koningin aan haar unieke radiofrequentie wel zo gewend geraakt, dat zij de kloof niet meer opmerkt.

Ons leven is háár leven niet, en dat geldt ook voor het grote publiek dat wordt verondersteld altijd zo met de koningin `mee te leven' als zij het moeilijk heeft. De overvloedige belangstelling voor het privé-leven van de koningin moet niet worden verward met inleving. Ze staat zelfs haaks op inleving, omdat de basis voor die belangstelling niet is dat de koningin net zo is als wij, maar juist dat ze wordt verondersteld zo anders te zijn. Ook al doet ze in Toscane gewoon boodschappen, het is toch de koningin die gewoon boodschappen doet. De gewoonheid is bijzonder.

`Meeleven' met de koningin heeft meer weg van kannibalisme dan van medemenselijkheid. Van de ellende die de koningin meemaakt, kan het publiek zelfs intens genieten. Dat klinkt raar, omdat talloze mensen in tranen uitbarsten bij een begrafenis van een van haar familieleden. Maar de emoties die dan loskomen, zijn niet anders dan die in een bioscoopzaal. Even hevig, maar een dag later weer vergeten. Het is gratis emotie: wel de lusten (het is lekker om iets te voelen), maar niet de lasten. Want het overkomt Haar, niet ons. Het speelt zich af in een ander schuitje. En problemen in dat `andere schuitje' vormen er zelfs een prettige bevestiging van dat wij het zelf zo slecht nog niet hebben.

Dat status eenzaam maakt, ondervinden meer mensen dan alleen de koningin. Maar koninklijke status is wel de meest absolute variant die er bestaat: Beatrix heeft in Nederland geen lotgenoten. Status verwerven (en mogelijk weer verliezen) is ook iets anders dan het altijd hebben. In het eerste geval kies je er zelf voor en maak je ook tijden mee zonder status, waardoor er nog kansen zijn om de vruchten van de wederkerigheid te plukken. Beatrix heeft de afweging of de status haar de depersonificatie wel waard was, niet kunnen maken. Ze weet niet anders dan dat haar hoogte eenzaam is.

Haar voorgangsters zochten tegen het einde van hun carrière hun heil in een andere wereld: Juliana wendde zich tot de esoterie, koningin Wilhelmina tot het christendom. Het laatste hoofdstuk van haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen, wijdde Wilhelmina geheel aan Jezus Christus. ,,Waar de menselijke geest en waar menselijk denken niet verder kunnen, daar komt God Zelf als Christus Zijn schepselen te hulp en geeft Zijn Goddelijk antwoord'', zo leek zij zichzelf te troosten. Beatrix, die naar verluidt wat aardser is dan haar moeder en grootmoeder, moet het zien te rooien met de gewone werkelijkheid waarin zij altijd een vreemde is. De status zit om haar heen als een jas met een dikke, afstotende laag, die zij niet uit kan doen. In die zin is dit jubileum niet alleen maar een feest.

Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra zijn beiden historica en journalist. Deze maand verscheen `De Schoonfamilie', een bundeling van hun stukken uit onder andere deze krant waarin zij de `koude kant' van de koninklijke familie analyseren.