Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Het is deze week alweer extra druk

`Ik ben opgeleid tot psycholoog en psychotherapeut, en later heb ik nog seksuologie gedaan – toen werkte ik al op een Riagg. Ik behandelde kinderen die te maken hadden gehad met misbruik, ik dacht: bij seksuologie zie ik ook nog eens de leuke kanten van seksualiteit. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik kwam toch weer uit bij misbruik.

Ik heb in mijn studie en in mijn werk altijd belangstelling gehad voor het functioneren van mensen in bijzondere omstandigheden. Het zal wel te maken hebben met mijn eigen geschiedenis. Ik heb een handicap, het is voor iedereen te zien dat ik beperkingen heb in mijn motoriek – ik loop anders, ik geef mensen op een andere manier een hand.

Voor een belangrijk deel ben ik door die handicap gevormd. En daarnaast ben ik opgegroeid in de jaren vijftig, in een sfeer van opbouwen, van niet zeuren en doorgaan. Er was bij mijn ouders veel aandacht voor het feit dat ik een beperking had, er is liefdevol met mij omgegaan. Maar het was ook: dingen zélf leren doen, doorzetten. Het blijft ingewikkeld om onderscheid te maken tussen wat je is aangeboren en wat je is aangeleerd. Ik denk: die eigenschappen zaten ook al in mij.

Waarom werk ik op Centrum '45? Waarom behandel ik mensen met oorlogstrauma's? Die vraag stel ik mezelf regelmatig. Hij is alleen met terugwerkende kracht te beantwoorden. Toen ik tien jaar met misbruikte kinderen en met misbruikte vrouwen had gewerkt, dacht ik: nu moet ik ermee stoppen. Het ging me te veel in bezit nemen. Het was verschrikkelijk om met kinderen in de spelkamer te zijn en te weten: de volgende keer dat ze hier zijn, is het wéér gebeurd – het is alleen niet te bewijzen, en dat is ook mijn taak niet.

Ik ben zelf van na de oorlog en mijn ouders hebben geen belast of belastend oorlogsverleden. Ik heb hier gesolliciteerd omdat het hier gaat om barre omstandigheden en dan toch doorleven. En ik werd aangenomen omdat ik door mijn werk met misbruikte kinderen ervaring had met de verwerking van trauma's. Mijn eerste cliënten waren eerste generatie oorlogsgetroffenen uit Indië – mensen aan wie in verband met de Tweede Wereldoorlog nog altijd minder wordt gedacht dan aan de mensen met een joodse achtergrond of uit het verzet. En dat steekt ze. Voor hen was de oorlog ook niet voorbij op 5 mei, maar op 15 augustus, en toen eigenlijk nog steeds niet. Dat steekt ook, dat daar eigenlijk door veel mensen niet bij wordt stilgestaan.

Mijn eerste dag hier was precies twaalf jaar geleden en ik herinner me nog goed dat me werd gezegd dat ik eerst maar kennis moest maken met mijn cliënten – de therapie zou daarna beginnen. Ik kreeg een stapel dossiers, ik zat in deze kamer en op deze stoel, de cliënten kwamen binnen volgens rooster, 's morgens drie en 's middags twee, en vanaf het eerste gesprek was er geen sprake van kennismaken – mensen gingen vertéllen. Zo groot was hun behoefte om gehoord te worden. Ik had veel gelezen over de kampen, maar het is heel wat anders als er iemand tegenover je zit die er gezeten heeft, die als kind op appèl stond in de brandende zon en ongelooflijk angstig werd als zijn of haar moeder niet deed wat de Japanner vroeg. En dan moeten zien hoe je moeder wordt geslagen of mishandeld of verkracht.

Ja, wat kun je voor cliënten doen? Je kunt er voor ze zíjn. Zeker in het begin. En luisteren. Daarnaast is het bij de behandeling van trauma's belangrijk om heel nauwgezet te vragen wat iemand het meest dwarszit, wat het meest opspeelt in de nachtmerries. Je spreekt af: vertel het in de onvoltooid tegenwoordige tijd, om de herbeleving zo duidelijk mogelijk te krijgen. Ik vraag ook: hoe rúíkt het, wat hóór je, wat zíé je. Het helpt. Als je een traumatische ervaring exact en herhaald laat vertellen, krijgen mensen er minder last van. Het krijgt een plaats in hun levensverhaal. En het is een hemelsbreed verschil of je drie keer per week een nachtmerrie hebt waarvan je de hele dag daarna van de wereld bent, of nog maar één keer in de twee weken.

Ik kan het aanhoren, ja. Ik heb geleerd om het aan te horen, om het te bevatten, te containen, zoals wij dat noemen. Ik laat mensen ook merken dat ik dat kan. Dat is heel belangrijk in een therapie. Ik ga nooit meehuilen. Wat niet wil zeggen dat ik me nooit geraakt voel. Een enkele keer is het zo verschrikkelijk wat mensen me vertellen dat ze aan me kunnen zíén dat ik me geraakt voel. Het verschrikkelijkst vind ik als er geen eind komt aan de ellende, als het maar niet stopt. Ik heb een vrouw in therapie die in de oorlog haar halve gezin is kwijtgeraakt bij een bombardement. In het gezin waarin ze na de oorlog terechtkwam werd ze mishandeld, misbruikt, en op een afgrijselijke manier gepest.

Ik kan hier nu niet over doorpraten, dat past ook niet bij mijn opvatting van mijn vak. Cliënten moeten zeker weten dat wat ze mij vertellen niet buiten deze muren komt. Ze moeten zich veilig kunnen voelen. Ik praat alleen met collega's over cliënten, wij noemen dat intervisie. Verder met niemand, ook niet thuis met mijn partner.

Maar dat ik alleen maar de hele dag met nare dingen bezig zou zijn, dat is een misvatting. Het is niet alleen de oorlog waarover gepraat wordt, het is ook het leven nu. En het werk is voor mij de laatste jaren diverser geworden. Naast de eerste generatie oorlogsgetroffenen is er nu de tweede generatie. We hebben de vluchtelingen uit oorlogsgebieden. We hebben de veteranen uit Libanon en Bosnië, en straks waarschijnlijk ook uit Afghanistan en Irak. Die jongens – heel jonge jongens vaak nog, negentien of twintig – werden naar oorlogsgebieden gestuurd en ze mochten niks doen, ténzij. Ze zijn vaak bang geweest, héél bang. Ze hebben vaak het gevoel gehad: nu ben ik er geweest. En dan niks mogen doen. En dan terugkomen in Nederland waar alles nog hetzelfde is. Terugkomen in het gezin waar alles nog hetzelfde is. Daar wáren ze iemand en nu zijn ze niemand meer. Ze zijn hun kameraden kwijt, ze kunnen slecht vertellen over wat ze hebben meegemaakt. En er wordt ook niet naar gevraagd. Mensen zeggen: Libanon, goh, leuk. Bosnië is al anders. Daar is zoveel van op de televisie geweest, daar kan niemand meer omheen.

Wat mensen slecht verdragen: als ze er niet mogen zijn. En dat kan zich in allerlei vormen uiten. Negeren, mishandeling, misbruik. Je verháál mag er niet zijn, er wordt niet naar je geluisterd. Je líjf mag er niet zijn. Het is niet van jou, er kan van alles mee gedaan worden. Ik merk, ook door de cliënten die ik in mijn praktijk thuis zie, dat in de hoofden van veel mensen de Tweede Wereldoorlog nog altijd aanwezig is. Ik laat mensen die ik in therapie heb vaak een stamboom maken, en dan komt bijna altijd ook de oorlog ter sprake.

Het is nog niet weggeëbd. Hier in Centrum '45 zeker niet. Er moet zeker nog een hele generatie overheen gaan voordat de oorlog geen rol meer speelt. In deze week, voor 4 en 5 mei, worden we hier nog altijd vaker gebeld dan normaal. Mensen hebben meer nachtmerries rond deze tijd, hun angsten komen terug – angsten voor wat geweest is of voor wat mogelijk komen gaat.

De eerste jaren dat ik hier werkte, waren we op 5 mei nog open. Nu niet meer, ik weet niet goed wat ik daarvan vind. Het aantal eerste generatie oorlogsgetroffenen met een joodse achtergrond of met een verzetsverleden neemt af. Maar de mensen die er nog zijn, hebben ook op 5 mei meer last van herinneringen aan de oorlog. Ze hebben niet het gevoel dat er op 5 mei iets te vieren valt.

Ik ben op 3 mei jarig. Als kind was ik daar blij mee – gelukkig was ik niet op 4 mei jarig, want dan heb je geen leuk verjaardagsfeestje. Op 4 mei keek ik met mijn ouders naar de herdenking op de Waalsdorpervlakte. Het was zo stil, veel stiller dan nu. Het was in die tijd überhaupt veel stiller. Nu blijf ik niet meer thuis voor de herdenking. Het gebeurt wel dat ik een paar dagen elders ben, maar ik sta dan wel stil bij 4 mei. Als ik thuis ben, ga ik naar een herdenking, of ik kijk naar de televisie. Ik kijk wel graag naar de herdenking op de televisie, want dan weet ik waar mijn cliënten het de dagen daarna over hebben.

Wat me het meest verwondert is nog steeds: de gruwelijkheden waar mensen toe in staat zijn. Ik ben in de loop van de jaren minder goed van vertrouwen geworden, al is het lastig om te onderscheiden of dat komt door het werk, of door het ouder worden, of door de tijd waarin we leven. Ik weet wel dat ik er vroeger van overtuigd was dat mensen het goede wilden. Nu ben ik dat niet meer. Ik ben het ook niet helemaal kwijt, maar ik heb een gezond wantrouwen ontwikkeld. Ik breng dat soms ook over op mijn cliënten. Als een vrouw zegt dat ze haar man nooit meer kan vertrouwen omdat hij een relatie buiten de deur heeft gehad, dan zeg ik: nóóit meer is irreëel, maar hem weer voor honderd procent vertrouwen is ook irreëel. Ik denk: 98 procent is voldoende.

We werken hier met groepen mannen en vrouwen die problemen hebben op het gebied van de seksualiteit. Dat kan komen doordat ze misbruikt zijn of verkracht, in of na de oorlog. We hebben nu geld gekregen uit een fonds om een module seksualiteit en lichaamsbeleving op te zetten. We merkten dat veel cliënten problemen hebben met seksualiteit. De vraag is natuurlijk: wat is de relatie met de oorlog. We weten dat überhaupt twintig procent van de mensen problemen met seksualiteit heeft. Verminderde lust, erectieproblemen, niet kunnen klaarkomen. We denken dat bij oorlogsgetroffenen dat percentage hoger ligt. Lange tijd is daar weinig aandacht voor geweest in de hulpverlening. We vroegen altijd overal naar maar niet naar seksualiteit. De redenering was: als het weer goed gaat met iemand, als de angsten en de depressies beheersbaar zijn, dan gaat het seksueel ook beter. Maar dat is niet zo.

Wat opvalt is dat in gezinnen met een oorlogstrauma vaak heel weinig over seksualiteit wordt gesproken. De seksuele opvoeding is erg verbrokkeld, áls die er al is geweest. We behandelen nu in het Centrum een vrouwengroep, in het najaar beginnen we ook weer een mannengroep. De vrouwengroepen hebben we altijd zo vol, bij een mannengroep is dat lastiger. Maar ik heb wel gemerkt: als mannen er eenmaal over beginnen, dan gaan ze ook echt aan het werk. Dan práten ze ook over hun problemen. Vrouwen zijn vermijdender. Bij vrouwen uiten seksuele problemen zich onder andere in: geen zin. Bij mannen in: geen erectie. Maar daarachter zit ook vaak: geen zin. Als je gedeprimeerd of angstig bent, of allebei, dan héb je ook geen zin.

Bij veteranen spelen seksuele problemen ook. Het is moeilijk om die te bespreken. Ze hebben vaak iets hoog te houden. Geen zin hebben, gecombineerd met niet kunnen, en dat ook nog zéggen – dat is hun eer te na.

In de loop van de jaren ben ik minder terughoudend geworden in mijn werk, directiever. Ik geef adviezen, en soms geef ik ook wel antwoord als cliënten mij persoonlijke vragen stellen. Dat past niet erg in de rogeriaanse traditie waarin ik ben opgeleid. Maar ik vind dat beter, normaler. Cliënten vragen me bijvoorbeeld wel of ik pijn heb door mijn beperking. Dat is niet zo, en dat zeg ik dan ook. Als ze denken dat ik pijn heb, kunnen ze het gevoel krijgen dat ze rekening met me moeten houden.

Maar ik zal mijn adviezen nooit dwingend formuleren. Ik zeg: je zou dit kunnen proberen, maar je moet zelf bepalen of dat bij je past. Als twee echtgenoten elkaar nauwelijks tegenkomen, zeg ik bijvoorbeeld: probeer drie keer per week 's avonds tien minuten bij elkaar te gaan zitten en vraag dan aan elkaar hoe de ander zich voelt, hoe het gáát. Of als het gaat om nachtmerries, zeg ik: het is belangrijk om het licht aan te doen als je wakker wordt, en dan te bedenken: dit is mijn slaapkamer, dit is mijn bed, zo kun je de realiteit terugbrengen. Ja, zeggen mensen dan, dat lukt me niet, ik ben verlamd van angst. Ik ben dan niet geneigd om te vragen: wat dénk je dan, als je verlamd bent? Ik zeg: ik begrijp het, maar probeer ervoor te zorgen dat het lichtknopje dicht bij je hand zit.'

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 30009 TH Rotterdam