Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Het discriminatieverbod geldt altijd, behalve bij politieke benoemingen

Om in Nederland een bestuursfunctie te kunnen bekleden, moet men lid zijn van een partij. Dat is in strijd met de Grondwet. Dus moest de Grondwet opzij.

De Maastrichtse politicoloog N. Baakman is bezig met een breed opgezette studie over de praktijk van politieke benoemingen die sinds eind jaren zestig snel om zich heen grijpt en in 1974 al in het tijdschrift Civis Mundi gesignaleerd is. Sindsdien kun je zonder goede partijpapieren niet meer in aanmerking komen voor belangrijke openbare bestuurs- of adviesfuncties. Op ministeries gaat dat zelfs al om functies tot onder het niveau van directeur. De facto is het lidmaatschap van een van de grote gouvernementele politieke partijen een noodzakelijke voorwaarde voor de benoeming in een openbare functie, constateert ook de Raad voor het Openbaar Bestuur onverbloemd. Als partijloze maak je in die gevallen derhalve geen schijn van kans meer.

Voor het werk maakt het niet uit wat de partijpolitieke achtergrond is.

Die politieke benoemingen dienen ertoe partijleden aan hun partij te binden. En het lidmaatschap van partijen die ertoe doen wordt gezien als een garantie dat je binnen de in dit land geldende politieke codes past. Het systeem van de Nederlandse nomenklatoera, aldus Geert Mak in NRC Handelsblad, verschilt in wezen niet van dat van de voormalige Sovjet-Unie. Ook hier gaat het om een half politieke, half bestuurlijke inner circle met nimmer uitgesproken maar niet minder belangrijke privileges. Ook de leden van onze nomenklatoera zetten zich niet in voor hun dierbare principes, maar zijn bezig hun posities veilig te stellen, zo stelt Mak in dit verband.

Hoewel het empirisch onderzoek van Baakman nog niet is afgesloten, is hij in het jaarboek 2003 van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen al wel nader ingegaan op de vraag of er een structurele verklaring is voor het feit dat eind 20ste eeuw de belangrijkste openbare functies alleen nog openstaan voor leden van gouvernementele partijen. Die verklaring is er inderdaad zoals hij helder uiteenzet. Om meerdere redenen krijgen partijen er belang bij greep te krijgen op het benoemingsbeleid. Dat stelt hen namelijk in staat leden die zich verdienstelijk maken voor de partij te belonen en hen zodoende aan zich te binden. Zij krijgen daartoe de gelegenheid dankzij de ontwikkeling van onze parlementaire democratie tot een partijendemocratie waarin de grote gouvernementele partijen beslissende factoren geworden zijn in het politieke besluitvormingsproces en ministers tot zetbazen van die partijen. En via eigen ministers worden die partijen in staat gesteld het benoemingsbeleid in hun geest te beïnvloeden. Vandaar ook dat carrièremotieven een grote rol gaan spelen bij het lid worden van die partijen die als regeringspartijen de openbare functies steeds meer onder elkaar zijn gaan verdelen.

Voor de niet-gouvernementele partijen blijven er in dat systeem hoogstens een paar kruimels over. En partijlozen hebben uiteraard helemaal het nakijken. De overgrote meerderheid van de bevolking – zo'n 98 procent ervan is partijloos – wordt hierdoor dus uitgesloten van publieke bestuurs- of adviesfuncties. Wie kiest voor een politiek onafhankelijke opstelling, kiest in feite voor marginalisering in politiek en bestuurlijk opzicht.

Liberalen hebben daar aanvankelijk het meest moeite mee gehad, en sinds haar oprichting ook D66. Maar de ontwikkeling van de partijendemocratie dwong ook liberalen ertoe om overstag te gaan. Zodoende is er een situatie ontstaan die haaks staat op onze Grondwet. Krachtens artikel 3 staat de openbare dienst namelijk voor alle Nederlanders op gelijke voet open. En in artikel 1 wordt discriminatie op grond van politieke gezindheid expliciet verboden. Dat discriminatieverbod is nader uitgewerkt in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Hoe met die ongrondwettelijke situatie in het reine te komen? Dat had gekund door de Grondwet te veranderen. Dat is terecht niet gedaan. Evenmin is de benoemingspraktijk in overeenstemming gebracht met de Grondwet. Hoe is dat probleem dan wel aangepakt? Van de afwezigheid van constitutionele rechtspraak in dit land heeft de wetgever dankbaar gebruikgemaakt door in de AWGB het discriminatieverbod buiten werking te stellen, als het gaat om het benoemingsbeleid voor bestuurs- en adviesorganen (art. 5 lid 4).

De wetgever heeft zich zodoende om partijpolitieke redenen doodleuk boven de Grondwet gesteld. En de wetgever kan dat doen, omdat de rechter de wetgever niet tot de (grondwettelijke) orde kan roepen. Opvallend is dat deze ongrondwettelijke besluitvorming geen enkele kritiek en geen enkel protest heeft uitgelokt. Ook Baakman maakt er alleen terloops melding van. Een publieke discussie hierover wordt angstvallig vermeden. Hoe dit gedrag te verklaren in een land dat zo hoog opgeeft van eerbied voor het discriminatieverbod en voor de beginselen van de rechtsstaat?

Directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht.