Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Het begin

Voor de prijs van een hockey- of tennisuitrusting krijg jij, veertienjarige, veertig zweefvlieglessen. En dat is toch beslist niet duur, een koopje bijna. En onveilig? Welnee, er sneuvelen meer mensen onderweg van of naar het vliegveld dan door een vliegongeval. Allereerst een uitgebreide sportkeuring, daarna je aanmelden bij een van de achtendertig clubs. Die niet allemaal een veld bezitten en daarom moeten uitwijken naar een andere. Zoals de Amsterdamse Club voor Zweefvliegen. Het drukke Schiphol is verboden luchtruim voor hen geworden en daarom maakt ze de meeste van haar starts op de rustieke, (bijna) voormalige militaire vliegbasis Soesterberg. Waar roofvogels sierlijke rondjes in de thermiek draaien. De beginners dragen zonnebrillen van het laatste model, suède vliegerjacks, er ligt zelfs een Lonsdaler in het gras. `Check, check and recheck again' is dé veiligheidsregel in de luchtvaart en die wordt er hier bij de jongens en meisjes stevig ingehamerd. Na enkele minuten landt de eerste met een vuurrood hoofd. Langer wegblijven mag niet, want alle cursisten willen vandaag enkele malen gevlogen hebben. Na 40 à 50 starts, wat gelijk staat aan tien uur vliegen, gaan de meeste omhoog voor het felbegeerde zweefvliegbewijs. Maar er dient daarbij ook gestudeerd te worden, meteo en navigatie zijn enkele van de vakken. En na elke vliegdag volgt het hoogglanspoetsen van de kunststoffen zwevers.

Dit is de zeventiende aflevering over kinderen en sport.