Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Eeuwenoude vernieuwingen

Het onderwijs is als de mode. Alles is al eerder bedacht en uitgeprobeerd. Toch willen weinigen leren van het verleden.

BELEIDSMAKERS en docenten zijn een gevaar op de figuurlijke snelweg van het onderwijs. Deze metafoor is afkomstig van dr. Sjaak Braster, op 3 februari benoemd tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het onderwijs aan de Universiteit Utrecht. ``Het oplossen van onderwijsproblemen is net als autorijden'', zegt hij. ``Je moet leren je spiegels te gebruiken: achteruitkijken en opzij. Dat biedt inzicht. In het onderwijs zie je te veel dat mensen met oogkleppen op alleen maar vóóruit kijken. Op de pabo's en lerarenopleidingen is er nauwelijks aandacht meer voor de geschiedenis van het onderwijs. En wie zijn klassieken niet kent, is steeds opnieuw bezig het wiel uit te vinden. Dat kost niet alleen veel energie, maar de kans op falen is ook groot.''

Braster onderzoekt het nut van onderwijsgeschiedenis voor het onderwijsbeleid. Hij preekt voor eigen parochie als hij stelt dat kennis van het verleden de voedingsbodem is voor de oplossing van de problemen van vandaag. ``Helen Parkhurst [grondlegster van het Dalton onderwijs, waarin leerlingen taken krijgen die ze zoveel mogelijk zelfstandig afwerken] bedacht een eeuw geleden al oplossingen voor problemen waar we nu nog mee kampen. Het onderwijs is geen exacte wetenschap. Maar als je maar genoeg voorbeelden kent van maatregelen en weet waarom die wel of niet werkten, dan heb je een gemene deler. Het is een arsenaal rijke ervaringen dat je kan helpen bij het vinden van een oplossing voor jouw probleem.''

Helaas blijkt Braster's parochie blijkt maar klein. Want wat hij moet concluderen is dat het onderwijs niets leert van haar eigen geschiedenis, maar ook dat onderwijsvernieuwingen maar tergend langzaam doordruppelen in de praktijk van het onderwijs. Braster staaft dit door de zaak om te draaien: wat leert de onderwijsgeschiedenis ons over het gevoerde onderwijsbeleid? Om daarin inzicht te krijgen bestudeerde hij schilderijen en tekeningen van het onderwijs door de eeuwen heen en heel veel schoolfoto's. ``De hoofdlijn is al eeuwenlang dezelfde: klassikaal, docentgericht onderwijs.''

Braster zet zijn laptop aan en laat een schilderij van Jan Steen zien: een boordevol klaslokaal van rond 1700. Een paar kinderen lezen, een paar schrijven, er slaapt er één, twee vechten een robbertje en in het midden zit het onderwijzersechtpaar. ``Ook een soort studiehuis, nietwaar?'' zegt hij grijnzend.

In deze tijd zaten kinderen van alle leeftijden door elkaar in één ruimte. Dat veranderde toen rond 1800 de eerste onderwijswet werd uitgevaardigd, waarin stond dat leerlingen in drie leeftijdsgroepen moesten worden ingedeeld en waarin het schoolbord werd geïntroduceerd. Het waren de eerste schreden op het gebied van klassikaal onderwijs. Een tekening uit 1780 laat die overgang zien: een docent staat met zijn leerlingen bij het schoolbord en legt hen iets uit.

Op een andere tekening zit een rij jongens in één bank. Ernaast staat een standaard met daaraan op papier de taken die ze moesten doen. ``Waarschijnlijk stamt hier de term `de standaard halen' vanaf'', weet Braster. Het hoort bij het Engelse monitorial system van circa 1800, waarin een grote groep kinderen in één grote ruimte les kreeg van één docent. Oudere leerlingen dienden als tutor voor de jongeren. Wie dus denkt dat het tutorlezen op de basisschool, waarbij kinderen van verschillende niveaus samen lezen, iets nieuws is, heeft het mis. Het onderwijs is net als de mode: alles is al ooit bedacht en uitgeprobeerd.

Het feit dat onderwijsvernieuwingen maar langzaam doordruppelen in het regulier onderwijs bewijst vooral de recente onderwijsgeschiedenis. ``Van 1900 tot 1975 veranderde er nauwelijks iets op de Nederlandse scholen: altijd zag ik op klassenfoto's de schoolplaten van Isings aan de muur hangen, en stonden de bankjes twee aan twee gericht op de docent. Terwijl al aan het begin van de 20ste eeuw het klassikale stelsel ter discussie stond. Al in 1907 schreef William Bagley zijn boek `Classroom Management', waarin hij voorstelt om de voordelen van het klassikale stelsel te combineren met een meer individuele aanpak. Het was de tijd waarin Maria Montessori en Helen Parkhurst hun ideeën ontwikkelden.''

Braster laat een zwart-wit foto zien van een schoollokaal rond 1920. De tafels staan in groepjes bij elkaar. De meisjes werken zelfstandig. Eén leerling staat bij het bureau van de juf om wat te vragen. ``Hier zie je Helen Parkhurst aan het werk. Het is dat de kleding zo ouderwets is, maar dit is toch net het Studiehuis? Zelfs die term is niet nieuw. Maria Montessori sprak al over een `casa di bambini', een huis voor kinderen. Maar wij moesten tot het einde van de twintigste eeuw wachten voor het zover kwam.''

De vraag rijst waarom het onderwijs zo inert is. Braster: ``Dé hobbel is de schoolcultuur. Die ligt vast in de mensen die er werken en dat is moeilijk veranderbaar. Mensen willen hun positie behouden. Beleidsmakers roepen altijd dat een cultuuromslag nodig is voor hun ideeën, maar dat is nu juist het lastigste.'' Braster roept hiermee een beeld op van het onderwijs als een zichzelf besturend staatje in de staat, dat zich autonoom ontwikkelt. ``Je kunt het dus ook omdraaien. Misschien is er wel geen beleid nodig om het onderwijs te veranderen. De leerlinggerichtheid die momenteel de onderwijshervormingen bepaalt was er misschien sowieso wel gekomen.''

Toch is Braster niet pessimistisch. ``Voor een boek met de titel `het einde van het onderwijs' is het nog te vroeg. Er zit namelijk nog één echte vernieuwing aan te komen: de digitalisering. Met een internetaansluiting en een pc kun je vanaf elke plek naar een virtueel klaslokaal. Als docent hoef je een college maar één keer te geven: je neemt het op video op en daarna is het voor iedereen beschikbaar.'' Het einde van het onderwijs is dus nog niet in zicht, maar misschien wel het einde van het klaslokaal.