Dit is een artikel uit het NRC-archief

Onderwijs

De pabo 3

Het is bij alle klaagzangen over de opleiding van de `onderwijzers van morgen' goed er aan te herinneren dat ook die van gisteren in de ogen van de tijdgenoten maar zelden heeft gedeugd. Een hogere vooropleiding, een bredere en liefst academische vorming, stijging van het intellectuele peil van de studenten, meer aandacht voor de vakopleiding, meer jongens c.q. minder meisjes, het zijn allemaal verlangens die de onderwijzersopleiding al minstens een eeuw vergezellen. Een prominente oud-leerling van de opleiding bijvoorbeeld, de latere onderwijsminister Gerrit Bolkestein (1871-1956), heeft tijdens zijn lange carrière met regelmaat gepleit voor niveauverhoging door hogere toelatingseisen en een zwaarder curriculum. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kregen hij en zijn medestanders eindelijk hun zin, maar tien jaar later al lag de alom geprezen nieuwe opleiding opnieuw zwaar onder vuur. De criticasters van vandaag-de-dag staan dus in een lange traditie. Datzelfde geldt voor een belangrijke verklaring van deze vrijwel ononderbroken opleidingscrisis. Veel meer dan in de opleiding zelf moet die gezocht worden in de continu ambivalente status van het beroep, mager gehonoreerd en onderin de hiërarchie van professionele beroepen. Ook de oplossing lag en ligt daarom eerder buiten dan binnen de opleiding. Met de woorden van de oude rot Bolkestein in 1946: `Het maatschappelijk aanzien van de onderwijzer moet vóór alles omhoog gebracht worden.