Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Als Labour wint, dan eerder dankzij Brown dan Blair

In alle prognoses stevent Tony Blair op een nieuwe verkiezingsoverwinning in Groot-Brittannië af. Ondanks `Irak' en dankzij Gordon Brown.

Mismoedig stapte barones Margaret Thatcher, inmiddels bijna 80 jaar, donderdag in het vliegtuig naar Venetië voor een korte vakantie. De legendarische Britse oud-premier is teleurgesteld dat, wonderen daargelaten, er op 5 mei voor de derde achtereenvolgende keer geen verkiezingszege inzit voor de Conservatieven, tekende The Times op uit de mond van een vriend van de barones. Daarom laat ze voor het eerst sinds 1935, toen ze als schoolmeisje haar vader hielp bij het plakken van enveloppen voor de Tories, verstek gaan in de slotfase van de verkiezingscampagne.

Inderdaad moet het gek lopen, wil premier Tony Blair volgende week donderdag Downing Street 10 moeten ontruimen. Toch beleeft Blair deze keer weinig vreugde aan de campagne. Aan alle kanten wordt hij voor `leugenaar' uitgemaakt wegens zijn omstreden rol voor en na de inval in Irak. Niet alleen door de Conservatieve voorman Michael Howard, maar ook door miljoenen gewone Britten. Bijna dagelijks kan de premier in krantencommentaren lezen dat zijn aftakelingsproces als politicus in volle gang is.

Een weinig sprankelend optreden donderdag in een vraag-en-antwoordprogramma van de BBC bevestigde die indruk. Zwetend en af en toe een starre grijns op zijn gezicht forcerend bood de gewoonlijk zo mediagenieke premier het hoofd aan een spervuur van kritische vragen uit het publiek. Niet alleen over `Irak', maar ook over niet of slechts half nagekomen beloftes van Labour over gezondheidszorg, onderwijs en belastingen. Vermoeid protesteerde Blair dat hij altijd ,,te goeder trouw'' is geweest en dat zijn kabinet tal van weldaden op zijn naam heeft staan.

Pijnlijk voor Blair is ook dat hij steeds sterker wordt geconfronteerd met vragen over zijn opvolger. Dat wordt vrijwel zeker zijn aartsrivaal Gordon Brown, nu nog minister van Financiën. De premier weigert consequent aan te geven wanneer hij het stokje wil doorgeven en roept, niet altijd even overtuigend, dat hij de hele volgende termijn wil volmaken.

Intussen wordt Blair met de dag afhankelijker van diezelfde Brown. Niet alleen is deze de architect van het financiële en economische beleid, dat Groot-Brittannië sinds het aantreden van Labour in 1997 ongekende voorspoed heeft gebracht. Hij is ook degene, die meer dan Blair het vertrouwen geniet van een groot deel van de traditionele linkse achterban van Labour. Als de partij weer wint, dan meer dankzij Brown dan Blair. Zo af en toe gunt Brown dezer dagen Blair in het openbaar een schouderklopje. In ruil perst Blair zo nu en dan de zin ,,Gordon zou een uitstekende premier zijn'' over zijn lippen.

De problemen van Labour en meer in het bijzonder van Tony Blair zouden een buitenkans moeten vormen voor oppositieleider Howard. Maar de 63-jarige Conservatief is er, althans volgens de peilingen, nauwelijks in geslaagd bredere lagen van de bevolking aan te spreken dan zijn twee onfortuinlijke voorgangers William Hague en Iain Duncan Smith, die beiden maar kort leider waren.

Hoewel bekwaam in het debat, heeft Howard nimmer het imago van een gladde advocaat van zich weten af te schudden. Hij houdt er van om flink uit te halen naar zijn tegenstanders en die agressie bevalt veel Britten maar matig. Als minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Major was Howard al een hoogst impopulaire figuur.

Ook voor veel Conservatieven bleef hij slechts tweede keus. In 1997 kozen ze niet hem, maar Hague als leider. Howard mist de warmte van Blair in zijn beste dagen, waaraan een groot deel van het electoraat zich graag koesterde. Een meer fundamenteel probleem voor Howard is bovendien dat hij, anders dan bij voorbeeld Thatcher, een eigen duidelijke ideologische lijn mist. Hij richt zich vrij willekeurig op steeds wisselende kwesties. Het heeft hem al van veel kanten het verwijt van opportunisme opgeleverd.

Op aanraden van zijn Australische campagnestrateeg Lynton Crosby heeft Howard de laatste maanden met name gehamerd op de noodzaak van een strenger asiel- en immigratiebeleid. Toch houdt deze materie betrekkelijk weinig Britten bezig. De meeste mensen zijn meer geïnteresseerd in de kwaliteit van de gezondheidszorg en het onderwijs. En na jaren van verloedering heeft Labour juist op die terreinen enige vooruitgang weten te boeken.

Dan doet Charles Kennedy, de leider van de derde partij, de Liberaal-Democraten, het beter. De 45-jarige Kennedy is een beminnelijke Schot, die enig populisme niet schuwt. Misschien wel de grootste troef van de Lib Dems is dat zij als enige grotere partij tegen de oorlog in Irak waren. Kennedy wil de Britse troepen snel terughalen. Dat kan de partij veel gefrustreerde Labour-kiezers opleveren.

Ook zijn de Lib Dems als enigen bereid tot een forse belastingverhoging voor de rijksten ter ontlasting van de armeren, en willen ze studenten hun collegegeld kwijtschelden. In de peilingen staat de partij nu op zo'n 23 procent. De tragiek voor de Liberaal-Democraten is echter dat dit zich zelden vertaalt in een overeenkomstige zetelwinst als gevolg van het Britse districtenstelsel. Maar enige winst kan Kennedy haast niet ontgaan.