Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Oorlog

Zeventien jaar wachten op de bel

In Neuengamme zaten 5.500 Nederlanders gevangen, onder wie de dichter Jan Campert. Het eerste boek over leven en dood in Neuengamme haalt een deel van de andere slachtoffers uit de anonimiteit.

Van de mensen die een concentratiekamp hebben overleefd, zijn er nog maar enkele tientallen in leven. Wie nog onderzoek wil doen naar het kampbestaan of de nasleep daarvan, zal dus moeten opschieten, temeer daar zulk onderzoek een langdurige investering vergt in het opbouwen van een vertrouwensrelatie tot de betrokkenen. Serieus onderzoek naar de kampen en het naoorlogse leven van ex-gevangenen is haast per definitie zinnig, want steeds weer dienen zich nieuwe vragen aan of blijken lacunes in onze kennis. Daarmee werden we onlangs geconfronteerd bij de kwestie-Campert. In deze krant werd gesuggereerd dat dichter Jan Campert in dit kamp door communisten was vermoord wegens `verraad' jegens zijn medegevangenen. Tegelijk toonde die affaire dat we soms collectief kennis wegmoffelen, zoals het besef van de `rode terreur' in sommige kampen. De met feiten gestaafde beschuldiging, dat communistische gevangenen in kampen waar zij machtsposities bezetten – `macht' vanzelfsprekend altijd onder de SS –, die posities hadden misbruikt om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen, was in de eerste jaren na de bevrijding een hot issue. De beschuldigingen sudderden door in de Koude-Oorlogsjaren, maar waren uit het gezichtsveld verdwenen toen vanaf midden jaren zestig onze aandacht voor `de oorlog' weer groeide.

Dat er nu voor het eerst een heel boek is gewijd aan het oostelijk van Hamburg gelegen kamp Neuengamme, waar ruim 5.500 Nederlanders (meest mannen) gevangen hebben gezeten, is dan ook verheugend. Het fraai uitgevoerde werk heeft het karakter van een gedenkboek en is geschreven in opdracht van de Vriendenkring Neuengamme. Er hebben ook ex-gevangenen en kinderen van ex-gevangenen aan meegewerkt. Zo'n werkwijze kan vruchtbaar zijn, mits voor de lezer volstrekt duidelijk is welke auteur voor welk deel verantwoordelijk is. Maar helaas is Nederlanders in Neuengamme een boek zonder auteur; onder sommige stukjes staan initialen; van andere blijven de auteurs onbekend. Als `eindredacteur' staat `dr. Judith Schuyf' vermeld, maar welke verantwoordelijkheid zij precies droeg wordt niet uiteengezet.

Neuengamme was geen vernietigingskamp waar `routineus en technisch volmaakt' joden werden omgebracht. Maar er werden wel `onschuldige mensen routineus naar hun eind gebracht. Niet door actieve vernietiging maar wel heel efficiënt door verhongering en ziekten. Tankvallen graven in de modder van Noord-Duitsland, in een buitenkamp van Neuengamme. Het water kwam tevoorschijn op één spade diepte, spitten van 's morgens negen tot 's avonds zes. 's Avonds werden de lijken mee naar het kamp gedragen in de lege broodmanden, dag in dag uit, maand in maand uit. De lijken werden opgestapeld, en een paar keer per week kwam een boerenkar ze ophalen', schrijft psychiater Dries van Dantzig (hier `psycholoog' genoemd) in zijn voorwoord – hij zat in Neuengamme om verzetsactiviteiten, maar de kampbevolking als geheel had diverse achtergronden. Speciaal bij dit zware graafwerk in de Noord-Duitse klei stierven veel Nederlanders. Ze liepen wondinfecties op, kregen longontsteking doordat ze ondervoed en zonder fatsoenlijke kleding of schoenen, dag in dag uit in die ijskoude nattigheid moesten werken, of stierven door mishandeling en uitputting.

In de concentratiekampen was elke normaliteit in de menselijke verhoudingen opgeheven, soms ook tussen de gevangenen onderling. De auteurs houden het er niettemin op dat Campert op 12 januari 1943 is overleden aan ziekte en uitputting. Bijna alle dertig mannen met wie hij op 1 december vanuit kamp Amersfoort op transport werd gesteld, waren vier maanden later dood. Niettemin, hoewel één auteur stelt dat de communisten in Neuengamme niet in een echte machtspositie verkeerden, blijkt in een ander hoofdstuk dat er wel degelijk een internationaal netwerk heeft gefunctioneerd en was het communistische Tweede-Kamerlid Louis de Visser zo `prominent' dat hij mensen voordelen kon bezorgen.

Er bestaat een blanco landkaart waarop louter Duitse kampen zijn ingetekend. Die kaart maakt in één oogopslag duidelijk dat midden-Europa ermee was overdekt. Niet alle gevangenen zaten alle tijd in hetzelfde kamp of in het hoofdkamp. Bekende kampen als Neuengamme, Dachau en Buchenwald hadden elk in een ruime omgeving rondom het Mutterlager tientallen kleinere buitenkampen. De hoofdmoot van het nu verschenen boek bestaat uit verhalen over het kampbestaan. De feiten kennen we: het vuil, het besmettingsgevaar, de waterige soep, de eindeloze appèls, de ophangingen, het sterven van vrienden en bekenden. In meer dan vijftig van de vijfentachtig buitenkampen van Neuengamme hebben Nederlanders gezeten. Al die kampen werden op andere tijdstippen en manieren bevrijd of ontruimd, gevangenen werden in de laatste fase ook nog van hot naar her gesleept, en de terugkeerverhalen verschillen dan ook enorm, al worden ze haast allemaal gekenmerkt door hevige emoties en een mengeling van hoop en wanhoop.

Tussen de bevrijding en de terugkeer stierf volgens de statistische berekeningen van Nederlanders in Neuengamme nog een schokkende 30 procent. Uiteindelijk keerden uit Neuengamme naar schatting 700 à 800 Nederlanders terug – zwak, ondervoed, vaak ziek. Sommigen stierven kort na thuiskomst; anderen, zoals Van Dantzig, moesten jarenlang kuren om te genezen van hun kamp-tbc. Hun thuiskomst varieerde van allerhartelijkst (bloemen van de burgemeester) tot uiterst kil (geen enkele hulp). Ook wat dat aangaat verschilt Neuengamme niet wezenlijk van andere concentratiekampen.

Informatief zijn de hoofdstukken over de nasleep en de wisselende conjunctuur van aandacht. In de eerste jaren na de terugkeer werd Neuengamme niet speciaal herdacht. De wachttorens, de barakken, het prikkeldraad, de galg en de houten bok waarop stokslagen werden uitgedeeld, werden met de grond gelijk gemaakt. Als er af en toe een enkele oud-gevangene ter pelgrimage kwam, werd die op het terrein, waarop een gevangenis was gebouwd, niet toegelaten. In 1953 namen Franse oud-gevangenen het initiatief tot een eerste gedenkteken; de in 1958 gevormde internationale Neuengamme-amicale verwezenlijkte vervolgens enkele grotere monumenten. In 1970 werd het vroegere kampterrein enigszins toegankelijk gemaakt voor herdenkingen, in 1984 begon men iets van de jaren 1938-1945 te herstellen, in 1990 viel het besluit het oude concentratiekamp in te richten als Mahnmal, compleet met gedenkplaatsen, archieven en museum, waarmee – niet erg voortvarend – in 2000 werd begonnen.

Een systematische vergelijking met de herdenkingsgeschiedenis van andere kampen ontbreekt in Nederlanders in Neuengamme. Toch dringt die zich op: er lijkt sprake van een vast stramien. Zo waren internationale kamp-amicales met daarnaast nationale vriendenkringen midden jaren vijftig een Oost-Europees initiatief, of zo u wilt: directief aan communisten in de verschillende West-Europese landen. Het Internationale en het Nederlandse Auschwitz-comité bijvoorbeeld stammen uit diezelfde tijd en hadden deze achtergrond. De Nederlanders werden in het internationale Neuengamme-comité dan ook vertegenwoordigd door een communist. Pas na zijn dood, in 1993, ontstond de meer algemene Vriendenkring Neuengamme die het initiatief nam tot dit gedenkboek.

Ook dit late tijdstip is voor het ontstaan van een vriendenkring niet ongewoon. Er zijn meer kampcomités die pas na de Koude Oorlog ontstonden, in de tijd dat de ontdekking van het oorlogstrauma de oorlog weer in de belangstelling bracht, en gevangenen op zoek gingen naar kampgenoten en hun herinneringen gingen opschrijven voor kinderen en kleinkinderen.

Zulke egodocumenten verschenen ook in de eerste jaren na de oorlog. Ze werden grif gekocht en gelezen. Maar al in 1947-1948 was het publiek verzadigd en kwamen de boekjes in de uitverkoop. Het is schrijnend te beseffen dat op dat moment families nog met smart wachtten op de terugkeer van hun dierbaren. Via oproepen in de bladen van het Rode Kruis en de Vereniging van Ex-Politieke Gevangenen poogde men getuigen op te sporen die wellicht hun `vermiste' ooit in een van de kampen hadden gezien of iets over hem of haar hadden gehoord. Van sommige ex-gevangenen is tot vandaag toe onbekend hoe en waar ze zijn overleden. Historicus Martijn Eickhoff vertelt van een mevrouw die tot haar dood in 1962 als de deur openging dacht dat het haar zoon was. Net als van andere kampen werden nog lang na 1945 ex-Neuengammers in massagraven geïdentificeerd en herbegraven op de Erebegraafplaats Loenen.

Een extra probleem bij Neuengamme was dat veel gevangenen tragisch omkwamen na hun bevrijding. Zij waren in het zicht van de Duitse nederlaag door Zweedse en Deense helpers uit het kamp gehaald, maar de boten waarin zij werden vervoerd werden gebombardeerd door geallieerde vliegers die van dat gevangenentransport niet wisten. Onder de op 3 mei 1945 in de Lübecker Bocht verbrande of verdronken gevangenen was De Visser, ingescheept op de Cap Arcona. Aan L. de Jong ontleen ik de onthutsende teleurstelling van SDAP-minister J.W. Albarda over het feit dat De Visser zijn bijna vier jaar gevangenschap had overleefd. `Een verontrustende tijding', schreef hij op 13 februari 1945 aan collega Van den Tempel: 'Onze vriend Lou de Visser is springlevend! Dit maakt [...] de vooruitzichten niet vrolijker'. Voor hen was de scheepsramp dus een onverwachte meevaller.

Na de processen tegen de kampleiding, eind jaren veertig, raakte Neuengamme uit de aandacht. Dat komt ook doordat het beeld van Neuengamme in hoge mate bepaald is geweest door het rampzalige lot van het dorp Putten. In oktober 1944 werden bij wijze van vergeldingsactie voor een verzetsdaad waarmee zij niets te maken hadden, de mannelijke inwoners van Putten gedeporteerd. Zij kwamen terecht in het buitenkamp Ladelund, waar zeer velen van hen stierven. Terwijl er de afgelopen decennia monumenten zijn opgericht ter herdenking van onder meer Auschwitz, Ravensbrück en Dachau, wordt Neuengamme alleen herdacht met het Puttense monument van een treurende vrouw.

Een tweede reden die het boek oppert, is dat in Neuengamme zulke uiteenlopende groepen gevangen zaten dat het aan eendracht ontbrak. Maar ook hierin is Neuengamme minder uniek dan de auteurs suggereren. Concentratiekampgevangenen vormden nergens een vanzelfsprekende eenheid. In mijn eigen onderzoek naar de lotgevallen van overlevenden van Auschwitz, Buchenwald, Dachau, Natzweiler en Ravensbrück bestrijd ik de mythe van een saamhorig zestigjarig-lotgenootschap. Zeker, er zijn in de kampen vriendschappen gegroeid tussen mensen die elkaar buiten dat bestaan nooit hadden leren kennen, maar over het geheel genomen staat de naoorlogse geschiedenis van de gevangenen in het teken van ontluisterende politieke conflicten. Het vraagt dan ook veeleer verklaring dat er soms wél monumenten kwamen. Die mythe van een verenigd lotgenootschap is overigens ook te vinden in een eerder boek onder redactie van Schuyf, Een stilte die spreekt, in 2000 uitgegeven door het Nationaal Comité 4 en 5 mei, de Anne Frankstichting en de Stichting Icodo.

Is Nederlanders in Neuengamme geslaagd? Een plus is de rijkdom aan illustraties (al ontbreekt vaak een bevredigend onderschrift). Plussen zijn ook de analyse van de sterfte, de lijst van gevangenen (die maar liefst een kwart van het boek beslaat), de database (die, hoe onvolledig ook, hopelijk op het internet wordt gezet), en de biografietjes waarmee een aantal gevangenen uit de anonimiteit van het massagraf is gelicht, zoals de Surinaamse vrijheidsheld Anton de Kom, gestorven in het buitenkamp Sandbostel.

Het grote minpunt echter is de mistigheid in brongebruik en auteurschap. Een notenapparaat is nagenoeg afwezig. Dat ondermijnt de betrouwbaarheid van het boek. Getuigenverklaringen, of ze nu mondeling zijn of schriftelijk, van kort na de oorlog of van lang erna, zijn niet per definitie betrouwbaar. Willen we aan zulke kennis iets hebben, dan moeten we weten wie wat wanneer tegenover welke interviewer heeft gezegd. De beslissing om bronnen alleen globaal te vermelden doet af aan de doelstelling om, nu het nog kon, de getuigenissen van ex-gevangenen wetenschappelijk verantwoord te verzamelen en vast te leggen.

Judith Schuyf e.a.: Nederlanders in Neuengamme: De ervaringen van ruim 5500 Nederlanders in een Duits concentratiekamp 1940-1945. Aprilis, geïll., 464 blz. €29,–