Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Ten oorlog tegen de opera

Met `Das Rheingold' begint De Nederlandse Opera een reprise van Wagners `Ring des Nibelungen'. Wagner eiste van de toehoorder een Gurdjieff-achtige toewijding.

en `hoeren-aquarium'. Zo omschreef de recensent van Das Vaterland in 1869 het gespartel en gedartel van de Rijndochters Woglinde, Wellgunde en Flosshilde aan het begin van Richard Wagners Das Rheingold. De componist zelf beschouwde het werk, dat het openingsdeel vormt van de vier avonden in beslag nemende Ring des Nibelungen, als de geboorte van de kunst en de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de menselijke beschaving. De Nederlandse Opera brengt een reprise van de voortreffelijke enscenering die regisseur Pierre Audi tussen 1998 en 2002 maakte van dit monument in de muziekgeschiedenis. Das Rheingold wordt thans hernomen en in het komende seizoen zal de hele cyclus weer te zien zijn.

Op een septembermiddag in 1853 lag Richard Wagner (1813-1883) gekweld door de naweeën van zeeziekte op de sofa van zijn hotelkamer in het Italiaanse La Spezia, toen hij een visioen had van de openingsmaten van Das Rheingold: ,,Ik ontwaakte plotseling verschrikt uit mijn halfslaap, met een gevoel alsof er enorme golven over me heen rolden. Terstond besloot ik om naar Zürich terug te keren en met de compositie van mijn grote gedicht te beginnen'', schrijft hij in zijn biografie Mein Leben.

Pas in november 1874 zou hij de Ring des Nibelungen voltooien. ,,Ik heb niets meer te zeggen! R.W.'', noteerde hij onderaan de slotpagina van Götterdämmerung, het laatste deel van de cyclus.

Fluisterzacht sonoor gezoem van een grondtoon zwelt aan vanuit ijl schemerende contrabassen, terwijl het theater in duisternis is gehuld. Aan het plafond licht een sterrenhemel op en langzaam vermengt zich een vaag somberende, zacht koperen gloed van acht hoorns met de lage Es van de bas. Geleidelijk ontstaat er meer beweging in de strijkers en dit verleent aan de muziek een aarzeling als van een dageraad die aanstonds nakende is, beloftevol en dauwfris zinderend. De eerste gouden stralen gloren aan de rand van de horizon en schijnen hun licht over de zich ononderbroken uitdijende stroom muziek, die de Rijn verklankt.

Gestaag blijven de energie en intensiteit toenemen en de ouverture wordt langzaam tot een verpletterend, allesverzengend pandemonium, kolkend en overkokend met snelle opwaartse figuren in de strijkers. Als het daglicht is aangebroken, ontwaren we de Rijndochters, die zich baden in de rivier en zich verheugen over de pracht van het goud, dat op de bodem schittert.

De geboorte van de kunst is wellicht wat overdreven gesteld, het impliceert immers dat mensen als Bach of Michelangelo maar wat aan liepen te klooien. Maar bijzonder en buitengewoon spectaculair is de opening van Das Rheingold wel. Iedere andere componist zou allang een keer hebben gemoduleerd. Wagner laat het openingsakkoord doodgemoedereerd een minuut of vier staan en bouwt het uit tot een ongehoorde muzikale gebeurtenis. Meteen openbaart zich zijn eigenzinnige instinct voor theatraal effect en hang naar het buitensporige. En treedt ook het absoluut hypnotiserende van Wagners muziek naar voren. Het brengt bij de toehoorder een licht megalomane euforie teweeg, als een plotselinge ervaring van vrijheid na jarenlang te zijn vastgeketend, een sensatie die zich tintelend door de bloedsomloop verspreid.

De neiging tot het excessieve en de exercities in oeverloosheid zat Wagner in het bloed. Maar liefst tweeënveertig doden vallen er in Leubald und Adelaïde, een drama dat hij als puber dichtte. Bij zijn eerste opera, Rienzi (1842), speelde hij al met de gedachte om deze vanwege de proporties over twee avonden uit te smeren, maar het publiek bleek niet bereid om tweemaal een entreekaartje te kopen.

Het goud van de Rijndochters wordt opgeëist door de dwerg Alberich die, nadat hij met een eed de liefde heeft afgezworen, in staat is om met het goud een ring te smeden die hem onoverwinnelijk maakt. De reuzen Fasolt en Fafner hebben ondertussen voor de god Wotan het Walhalla gebouwd en willen zich daarvoor nu betaald zien. Wotan gaat eropuit, naar Nibelheim om het Rijngoud van Alberich terug te stelen. Als onderpand nemen de reuzen zolang de godin Freia in gijzeling. Wotan slaagt in zijn missie, maar van de vloek die Alberich uitspreekt als hij de ring onder dwang terug overhandigt, gaat hij nog spijt krijgen: ,,Wie hem bezit wordt gekweld door zorgen en wie hem niet bezit verteerd door jaloezie. Iedereen zal ernaar hunkeren, maar hij zal niemand tot nut zijn''.

De reuzen en goden die de Ring bevolken, bevinden zich in een soort voorwereldlijke toestand. Ze zijn, zowel in Das Rheingold als in Die Walküre, in afwachting van de verlosser, de Mens: Siegfried, die in het derde deel zijn opwachting maakt. Maar Siegfried sterft, en ook de goden gaan in de Götterdämmerung jammerlijk ten onder.

Het concept van Wagners magnum opus was al in 1848 voltooid, al heette het toen nog de Nibelungensaga. In 1853 verscheen het libretto indruk waarop de Ring is gebaseerd. Wagner putte voor de ideeën van de Ring uit verschillende bronnen. Hij verdiepte zich in eerst in Jacob Grimms Germaanse mythologieën, maar vond het meeste bruikbare materiaal in de Edda, de Völsungen- en Thidrekssaga, en in het `nibelungengedicht' Sigurd van Friedrich de la Motte-Fouqué.

Er zijn maar weinig mensen die meer onbetaalde rekeningen hebben achtergelaten dan Richard Wagner, wiens doopvont stond in de Thomaskirche in Leipzig, dezelfde plek waar Bach begraven ligt. Zijn leven bestond feitelijk uit een voortdurende vlucht om zijn schuldeisers steeds een stap voor te blijven. In Riga had zijn boot net de trossen losgegooid, toen hij vanaf de achtersteven de mensen bij wie hij in het krijt stond met gebalde vuist de kade zag oprennen.

Sommigen van zijn tijdgenoten vermoedden dat Wagners revolutionaire elan mede gevoed werd door de gedachte dat alle openstaande rekeningen na een gewelddadige politieke omwenteling zouden komen te vervallen. Samen met August RÖckel en Michaïl Bakoenin, de voorvechter van het revolutionaire anarchisme, werd Wagner in 1848 als hoofdverantwoordelijke aangewezen voor de revolte in Dresden. Nadat de opstand was neergeslagen, werd Wagner verbannen en nam hij de wijk naar Zwitserland.

Overigens moet men zijn socialistische sympathieën wel in perspectief zien. In een brief schrijft Wagner in 1851 aan een vriend: ,,Mijn gehele politieke visie is niets meer dan de bloedigste haat tegen onze gehele beschaving. Ik moet er thans ernstig voor boeten dat ik ooit wat om de arbeiders, als arbeiders, heb gegeven. Ondanks hun arbeidersgeschreeuw zijn zij ellendige slaven, die iedereen die hun `arbeid' belooft, in zijn zak kan steken. Het knechtschap zit hen diep in het merg.''

De persoon Wagner moet een even grote hypnotiserende aantrekkingskracht hebben gehad als zijn muziek. Otto Wesendonck, één van zijn weldoeners, keek hij eenvoudigweg diens eigen huiskamer uit, als hij een `privé-onderhoud' wenste met Mathilde, de vrouw des huizes. Geheel onder de betovering was ook koning Ludwig II van Beieren, die aan de componist schreef: ,,Geliefde! Enige! O, wat ben ik gelukkig! – Waar ben ik? ...Ik zie de zaligheden van het Walhalla; oh, naar Siegfried, naar Brünnhilde! – Welk een stralenkrans rond Tristans stoffelijk overschot!''

De homo-erotische tendensen van de relatie nam Wagner voor lief, aangezien de koning hem in staat stelde om de Ring in alle rust te voltooien in huize Wahnfried, temeer daar de koning ook de financiering van het gedroomde theater, waar Wagner zijn Gesamtkunstwerk zou kunnen realiseren, voor zijn rekening nam. Zo kon in augustus 1876 in Bayreuth dan eindelijk de première van de Ring, het `Bühnenfestspiel für drei Tage und einen Vorabend', plaatsvinden.

Sommige dienaren des konings waren minder gecharmeerd van Richard Wagner en zijn vrouw Cosima, de dochter van Franz Liszt. De geldbedragen werden uitgekeerd in de vorm van centen en stuivers, in vele loodzware zakken.

Kleng, kleng, beng, kleng, hameren de nijvere dwergen van Nibelheim op hun aambeelden, afgebeuld en uitgebuit door Alberich. De Ring des Nibelungen, stelt Bernard Shaw in zijn essay The perfect Wagnerite (1898), is een radicaal-socialistische parabel over de vloek van het goud. Siegfried is niets anders dan een vermomming van Bakoenin; de duistere holen waarin de Nibelung-dwergen hun zwaarden smeden zijn de dichterlijke vertaling van het vroeg-kapitalistische negentiende-eeuwse bestel.

Nu laat de Ring zich op velerlei wijzen en naar hartelust interpreteren, getuige de talloze boekenplanken die er over het stuk zijn volgeschreven. Het zicht op de materie wordt vaak danig vertroebeld door het bij wijle erbarmelijke stafrijm – ,,Garstig glatter glitschriger Glimmer'' – waar ook Duitsers een verklarende woordenlijst voor nodig hebben. En daarbij lapt Wagner voortdurend allerlei theatrale wetten aan zijn laars. Ellenlange monologen en dialogen waarin verder niets gebeurt dan het herkauwen van informatie die de toeschouwer al vier keer eerder in het werk tot zich heeft genomen. Maar het wordt gezongen, en de muziek is fantastisch, dus valt het niet zo gauw op.

Dat Shaw er met zijn interpretatie niet ver naast zat, blijkt uit de dagboekaantekeningen van Cosima Wagner, die sinds 1976 publiek toegankelijk zijn: ,,Dezer dagen zei R. dat het hem genoegen deed dat hij in de Ring een compleet beeld heeft gegeven van de vloek van de geldzucht, benevens de daarmee verweven ondergang.''

Intrigerend aan de Ring blijft de grote tijdsspanne waarin het stuk totstandkwam. Das Rheingold draagt nog sporen van de Italiaanse opera, met afzonderlijke `nummers' en pagina's lange begeleidingsfiguren in het orkest; in Götterdämmerung is al het materiaal contrapuntisch en motivisch met elkaar verweven en is er werkelijk sprake van één ononderbroken muzikale stroom.

Gedurende twaalf jaar werkte Wagner in het geheel niet aan de Ring. ,,Een interruptie die ongehoord is in de geschiedenis van de kunst'', aldus de componist. Het kwam niet alleen door de wanhoop of hij er ooit in zou slagen het stuk te realiseren, of door het feit dat hij tussendoor nog een aantal andere opera's schreef, als Tristan und Isolde en Die Meistersinger von Nürnberg. Het was vooral dat Wagners standpunten in de loop van de decennia aan veranderingen onderhevig waren geweest, waardoor hij in toenemende mate in de knoop kwam met het verhaal.

In een brief aan August RÖckel schrijft hij: ,,Mijn Nibelungendrama kreeg vorm in een tijd dat ik met mijn denkbeelden slechts kwam tot het construeren van een hellenistisch-optimistische wereld, waarvan de verwezenlijking heel goed mogelijk leek, mits de mensen het maar wilden. De kwestie waarom ze dat blijkbaar toch niet wilden, wist ik tamelijk behendig te vermijden. Ik realiseer me nu dat ik het individualisme van Siegfried bewust in deze opbouwende betekenis heb laten ontstaan, met de bedoeling een bestaan zonder pijn weer te geven.''

Wagner was in filosofisch opzicht ontevreden met de uitkomst van Siegfried en in zekere zin op de materie uitgekeken. Hoe hij de zaken wel naar zijn hand kon zetten, demonstreerde hij in Parsifal, het `Bühnenweihfestspiel' waar sinds de eerste uitvoering in 1882 over gediscussieerd wordt of applaudisseren al dan niet gepast is. Cosima Wagner vergeleek Parsifal eens met de evangeliën en meldt: ,,De Meester knikte slechts.''

`Alliteratiegestotter', `dodelijke monotonie', `bronstig gesteun', `hasjiesjdromen' - het was niet louter adoratie die de muziek van Richard Wagner ten deel viel. Opmerkelijk is hoe het juist de meer fervente Wagner-aanhangers waren die, in pogingen de Meester tegen lafhartige aanvallen te verdedigen, hun doel soms wel eens voorbij schoten en zo onbedoeld munitie verschaften aan Wagner-haters. Zo geeft de Duitse musicoloog Wilhelm Tappert in zijn Wörterbuch der Unhöflichkeit (1876) een encyclopedisch overzicht van alle schandelijke bejegeningen en verwensingen die Wagner ten deel vielen. Dit om zijn ongeloof kenbaar te maken over zoveel onbegrip en hoon.

Het is aan zijn ijver en oplettendheid te danken dat we nog altijd kennis van het `Huren-Aquarium' hebben. Onder dat lemma lezen we tevens dat de journalist van het gewraakte artikel een aanklacht aan zijn broek kreeg namens de echtgenoot van één van de zangeressen, wegens aantasting van haar eer en goede naam.

Toen de Neue Freie Presse rond 1860 lucht kreeg van Wagners voorliefde voor roze zijden onderbroeken, was dat voor satireschrijvers een schot voor open doel. Nog in 1967 kon Wagnervorser Ludwig Kusche zich in zijn Richard Wagner en de Modiste – of De lange arm van de laster druk maken over zoveel indiscretie: ,,Wie zou Wagner zijn lila beddenspreien misgunnen?'' Om aansluitend alle bewaard gebleven correspondentie tussen Wagner en de Weense fourniturenhandelaarster die hem zijn caleÇons leverde en met wie hij een relatie had, te publiceren.

Afgezien van Wagners muzikale genie hoort de volstrekte compromisloosheid waar het muziektheater betreft, tot zijn bewonderenswaardigste eigenschappen. Toen de directie van de Parijse Opéra hem in 1861 verzocht om voor de Franse première van Tannhäuser in de tweede akte een ballet in te lassen, zoals dat sinds Lodewijk XIV de nationale gewoonte was, weigerde Wagner dit categorisch. Het ballet was normaal gesproken het moment waarop de heren van de Jockeyclub, ietwat verlaat en nog rozig van de maaltijd en de cognac, hun loge betraden. Om hun ongenoegen kenbaar te maken, hadden ze speciale fluitjes laten vervaardigen met de inscriptie `pour Tannhäuser' en verziekten hiermee een eerste serie voorstellingen. Van een tweede serie is het nooit gekomen.

Ook al sprak Wagner thuis met Cosima voornamelijk Frans, dit zou hij Parijs nog lang nadragen. Hij schreef: ,,Uit het diepst van mijn gemoed en zonder enige pose verzeker ik je dat ik aan geen enkele revolutie meer geloof, dan diegene die begint met het platbranden van Parijs.'' Bij het uitbreken van de Frans-Pruisische oorlog in 1870, noteert Cosima Wagner in haar dagboek: ,,Woensdag, de 2de. Parijs wordt gebombardeerd, wie niet horen wil moet voelen, luidt een bekende zegswijze. Vrijdag, de 4de. Geruchten over wapenstilstand. Tot ons ongenoegen. R. wenst een bombardement.''

Het muziektheater van Richard Wagner is bovenal een oorlogsverklaring aan het traditionele operabedrijf met zijn inhoudloze verhalen en melodieën, loges met gesloten gordijnen omdat men zich even op andere wijze wenst te verwijlen en luidruchtige, ongeïnteresseerde stommelaars. Het is niet voor niets dat de stoelen in Wagners eigen theater in Bayreuth vermaard zijn wegens hun genadeloosheid jegens het zitvlees en dat loges er ontbreken. Wagner eiste van de toehoorder een Gurdjieff-achtige toewijding bij het betreden van zijn eigenhandig ontworpen bedevaartsoord.

Een dergelijke ascetische nederigheid was niet aan een ieder gegund: Eduard Hanslick, de vermaarde Weense muziekcriticus, trof na afloop van de première van de Ring twee kennissen op het station van Bayreuth. Toen de trein zich in beweging zette, viel men elkaar om de hals en riep uit: ,,God zij geloofd! We hebben het overleefd! Het is achter de rug! De goden zijn uitgeschemerd!''

`Das Rheingold' is gisteren in première gegaan in Het Muziektheater in Amsterdam. Volgende voorstellingen door De Nederlandse Opera op 2, 5, 8, 11, 15 en 18 mei. Inlichtingen via tel. 020-6255455 of www.dno.nl

De goden zijn in afwachting van hun verlosser, de Mens