Eerst winnen, dan de moraal

De bombardementen op de Duitse steden, hadden wel degelijk zin. Hoe gruwelijk ook, ze hebben zeker de oorlog bekort. Een grondige studie maakt korte metten met het idee dat er blindelings werd gebombardeerd.

Deze week werden in het Twentse Bentelo de zwaarste vliegtuigbommen opgegraven die ooit in Nederland zijn aangetroffen. Het zijn drie 1.900-ponders, afkomstig van een Britse Stirling-bommenwerper die daar in de nacht van 27 op 28 augustus 1942 was neergestort. Het toestel was samen met 300 andere op weg om Kassel te bombarderen toen het door luchtafweergeschut werd neergehaald. Ook elders leven de bombardementen uit de Tweede Wereldoorlog voort in de herinnering. Nijmegen herdenkt jaarlijks het Amerikaanse bombardement van 22 februari 1944; Den Haag het Britse op de Bezuidenhout van 3 maart 1945. Op 14 mei zal Rotterdam herdenken dat het 65 jaar geleden door een Duits bombardement werd verwoest.

Nergens hebben de luchtbombardementen de laatste tijd meer in de belangstelling gestaan dan in Duitsland. De historici en de media zijn er bezig met een inhaalslag. Terwijl Britse auteurs al decennia geleden publiceerden (soms zeer kritisch) over de bombardementen, schitterden de Duitsers door afwezigheid. In 1999 publiceerde W.G. Sebald er een boek over (Luftkrieg und Literatur, de Nederlandse vertaling werd besproken in Boeken 07.05.2004). Het was vooral de historicus Jörg Friedrich die met Der Brand (2002; besproken in Boeken 03.01.2003) en Brandstätten (2003) voor heftige debatten zorgde. De geallieerde bombardementen waren voor de Duitse bevolking de pijnlijkste en de meest blijvende herinnering aan de oorlogsjaren. Maar toch, zo beweerden Sebald en Friedrich, gaven de Duitsers geen uiting aan hun gevoelens erover. Ze wilden kennelijk niet weten hoe het was geweest. Schrijvers en historici leken het onderwerp te mijden; het was een taboe.

Met die zwijgzaamheid valt he wel mee. Al in de jaren vijftig verschenen de eerste boeken over de bombardementen. Tientallen zijn er sindsdien nog bij gekomen. De meeste gingen over één bepaalde stad of regio. Sebald en Friedrich hebben alleen gelijk in zoverre een alomvattende studie die het nationale bewustzijn beroert nog niet was geschreven. Het lag ook wel voor de hand dat de Duitsers niet vooraan stonden met kritische studies over de geallieerde bommenregen. Na de holocaust en de massamoorden door Duitse eenheden in Oost-Europa paste stilzwijgen. Maar nu is een nieuwe generatie aan het woord, niet belast door de oorlog. Zij stelt wèl kritische vragen en onderzoekt hoe de Duitse bevolking de gruwelijke bombardementen heeft ervaren.

Totale oorlog

Tot die nieuwe generatie behoort de militair-historicus Rolf-Dieter Müller (1948), verbonden aan het Militärgeschichtliches Forschungsamt in Potsdam en aan de universiteit van Berlijn. Hij schrijft voornamelijk over de Tweede Wereldoorlog in Duitsland, maar heeft naam gemaakt met studies over de luchtoorlog en het gebruik van gifgas.

Müller plaatst de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog in een historisch perspectief. Het is begonnen met de Eerste Wereldoorlog toen de eerste, primitieve bommenwerpers en jachtvliegtuigen op het oorlogstoneel verschenen. De strijd in de lucht leek ongekende mogelijkheden te bieden, vreesaanjagend en veelbelovend tegelijk. Militairen meenden dat luchtbombardementen de bevolking snel op de knieën konden brengen. Een loopgravenoorlog, een bloedige slijtageslag, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog, kon er door worden voorkomen, voorspelden zij. Van meet af aan was één ding duidelijk: de hele samenleving was een legitiem doelwit. Niet alleen de legers, maar ook de industrie, de bevolking en de steden. Het verschil tussen combattanten en non-combattanten, een kernprincipe van het zich ontwikkelende oorlogsrecht, zou in de praktijk nog maar weinig betekenis hebben. De luchtoorlog was `totaal'.

Müllers boek biedt een grondige analyse van het strategische denken over de luchtoorlog vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog en een heldere en goed gedocumenteerde beschrijving van het verloop van luchtstrijd tegen Duitsland. Het is een nuchter en zakelijk boek; het moraliseert niet. Het rekent af met de visie die sinds Sebalds en Friedrichs publicaties ingang is gaan vinden, dat de Duitsers slachtoffers waren. Nee, zegt Müller, ze waren in de eerste plaats daders; ze hadden wind gezaaid en oogstten storm.

Op overtuigende wijze heeft Müller de balans opgemaakt. Een miljoen ton bommen werd uitgeworpen, waarvan het merendeel in de laatste twaalf maanden van de oorlog. Er kwamen 500.000 Duitse burgers om, 131 steden werden vrijwel geheel verwoest, ruim zeven miljoen burgers werden dakloos. Müller geeft een compleet overzicht van de bombardementen, van dag tot dag, in uitvoerige bijlagen. Het was, zo maakt hij duidelijk, geen prijsschieten op weerloze en onverdedigde steden. Het was een keiharde strijd op leven en dood. De Luftwaffe en het Duitse afweergeschut waren vooral in de eerste oorlogsjaren uiterst succesvol. De Britse en Amerikaanse air crews betaalden een hoge prijs. Van de 125.000 militairen die bij het Britse Bomber Command dienden, kwamen er 55.000 om het leven; de Amerikaanse verliezen bedroegen 26.000 man.

Vanaf het begin hebben de bombardementen op de Duitse steden vragen opgeroepen. Nog tijdens de oorlog oefenden Britse parlementsleden en geestelijken er scherpe kritiek op uit. De discussie die na de oorlog oplaaide, draait om twee grote vragen, die van de effectiviteit van de bombardementen en die van morele rechtvaardiging. Ook Müller gaat daar uitgebreid op in.

Hij vindt de eerste vraag het interessantst. Hij stelt vast dat de hooggespannen verwachtingen over de uitwerking van het luchtoffensief niet werden waargemaakt. De militairen meenden dat de zware bombardementen de Duitse bevolking snel tot opgave zouden dwingen en dat de oorlogseconomie volledig zou worden lamgelegd. Dat is niet gebeurd. De `bomber dream' kwam niet uit. De Duitsers reageerden met een stoïcijnse acceptatie van het onvermijdelijke. Zij legden zich toe op een geïmproviseerde hulporganisatie, onmiddellijk herstel van de belangrijkste schade, diversificatie van de productie en evacuatie van de stedelijke bevolking.

Toch heeft het bommenoffensief een grote bijdrage geleverd aan de uiteindelijke geallieerde triomf. Het belangrijkste was dat de oorlog werd teruggebracht naar Duitsland. De uitwerking van de bombardementen was groot. De Duitsers leefden under siege. De Endsieg die Hitler hun bleef voorhouden, was onmogelijk geworden. De kloof tussen propaganda en werkelijkheid werd onoverbrugbaar. Ook de militairen aan het front werden erdoor beïnvloed. De zorgen om de lotgevallen van de in het vaderland achtergebleven familieleden waren immens. De militairen voelden zich machteloos. Zij vochten in Frankrijk, Italië, Rusland, maar zij konden hun vaderland niet verdedigen. Het werd in hun afwezigheid systematisch in de as gelegd.

Het staat als een paal boven water dat de schade die aan industrie, transport en infrastructuur werd toegebracht reusachtig was. De oorlogsproductie kon niet op peil worden gehouden. Fabrieken gingen ondergronds, wat veel tijd, energie en arbeid kostte die niet langer rechtstreeks aan de oorlogsinspanning ten goede kwam. Mijnbouw, industrie, treinverkeer, binnenscheepvaart, alles kwam uiteindelijk onder vuur en werd verstoord, verwoest, stilgelegd. Müller besluit zijn boek met een afgewogen en goed beargumenteerd oordeel over de betekenis van het geallieerde luchtoffensief voor het verloop van de oorlog. Het Duitse vermogen om de oorlog voort te zetten werd onherstelbare schade toegebracht. De Luftwaffe was gedwongen zich grotendeels op de verdediging van het eigen land te concentreren en kon niet elders worden ingezet. Zonder de `Bombenkrieg' had de oorlog in Europa veel langer geduurd.

Aangrijpend

De tweede vraag, die van de morele rechtvaardiging van de bombardementen is complex, maar voor Müller duidelijk ondergeschikt. De opvatting dat de bombardementen een oorlogsmisdaad zijn en de wetten van de oorlog overtreden, speelde, ondanks de incidentele protesten, tijdens de oorlog vrijwel geen rol. Het ging om het onvoorwaardelijk verslaan van de Nazidictatuur. De meeste geallieerde politici, militairen en burgers in de geallieerde landen gingen ervan uit dat de luchtoorlog tegen de Duitse steden een gerechtvaardigd middel was. De praktisch oorlogsnoodzaak was beslissend. Maar ook voor Müller blijven sommige beslissingen twijfelachtig. Het bombardement op Dresden noemt hij als voorbeeld. Dresden is ook buiten Duitsland altijd een symbool geweest van de `onwettigheid en barbaarsheid van het luchtoffensief. Het zou een `onschuldige stad' zijn geweest, zonder militair belang, louter bewoond door vrouwen, kinderen en bejaarden. Dat beeld is onjuist. Dat blijkt ook uit het in 2004 verschenen en nu vertaalde boek Dresden, 13 februari 1945, van de Engelsman Frederick Taylor (besproken in Boeken 07.05.2004). Taylor toont met een overvloed aan bewijzen aan dat de stad volledig deel uitmaakte van de Duitse oorlogsproductie en een belangrijk knooppunt van militair en industrieel transport was. Daarnaast biedt zijn boek een huiveringwekkend en aangrijpend beeld van het bombardement en de gevolgen ervan voor de stad en zijn bewoners.

Iets daarvan is ook te proeven in het boek dat naar aanleiding van het Amerikaanse (vergissings)bombardement op Nijmegen is verschenen, samengesteld door Bart Janssen, een inwoner van Nijmegen die vele jaren besteedde aan het verzamelen van gegevens over de slachtoffers en hun familie. Het resultaat is neergelegd in een fraai en indrukwekkend boek. In de middag van 22 februari 1944 werd een deel van de binnenstad in de as gelegd door Amerikaanse bommenwerpers die Nijmegen aanzagen voor Kleef. Er vielen bijna 800 slachtoffers en duizenden gewonden. In het boek is elk slachtoffer afgebeeld en familieleden vertellen wat er gebeurde tijdens en direct na het bombardement, hoe de slachtoffers werden gevonden, hoe het verlies van vader, moeder, zoon of dochter, broer of zus werd beleefd en uiteindelijk aanvaard. Het geeft een boeiend, vaak ontroerend beeld van de ontreddering van de bevolking. Dit boek is een voorbeeld van wat bereikt kan worden met zorgvuldig uitgevoerde oral history. Het is een goede aanvulling op het grondige en doorgaans afstandelijke werk van de militair-historici.

Rolf-Dieter Müller (met medewerking van Florian Huber en Johannes Eglau): Der Bombenkrieg, 1939-1945. Ch. Links Verlag, 270 blz. €24,90

Bart Janssen: De pijn die blijft. Ooggetuigenverslagen van het bombardement van Nijmegen, 22 februari 1944. SUN, 710 blz. €26,50