Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

De zorgzame dictatuur

De brede steun in Duitsland voor het regime van Hitler, is nog steeds niet afdoende verklaard, meent historicus Götz Aly. In een provocerende nieuwe studie legt hij de nadruk op het economische profijt dat `gewone' burgers hadden bij het nazi-beleid.

`Hoe kon het gebeuren? Hoe konden de Duitsers in hun samenleving een massamoord zonder weerga toelaten en begaan – in het bijzonder de moord op de Europese joden?' Op die vraag is volgens de Duitse historicus Götz Aly (1947) nog steeds geen bevredigend antwoord gegeven. Het antisemitisme is volgens Aly maar een deel van de verklaring. De Duitsers onderscheidden zich daarin niet van andere Europese staten: Er was geen `Duitse Sonderweg', een specifiek Duitse historische ontwikkeling die zou afwijken van het algemene Europese patroon, en ook geen specifiek `eliminationistisch' antisemitisme (op massamoord aansturend, radicaal racisme), zoals Daniel Goldhagen heeft beweerd in zijn geruchtmakende studie Hitler's Willing Executioners. De redenen voor de Duitse aanvaarding van, en medewerking aan het moorddadige regime van de nazi's moeten volgens Aly gezocht worden in het materiële belang dat de Duitsers hadden bij Hitlers `Volksstaat'.

Met Hitlers Volksstaat heeft Aly opnieuw zijn reputatie als spraakmakend historicus waargemaakt. In 1991 zette hij de Duitse historische wereld op zijn kop, toen hij in Vordenker der Vernichtung de intellectuele betrokkenheid van een belangrijk deel van de oudere generatie van Duitse geesteswetenschappers bij het nationaal-socialisme aan de kaak stelde. Vier jaar later presenteerde hij in Endlösung een interpretatie waarin de genocide op de Europese joden begrepen moest worden als de uitkomst van koloniale bevolkingspolitiek, gericht op het creëren van Lebensraum en `etnische ontvlechting' van de volkeren van Oost-Europa. Ook zijn laatste boek veroorzaakte in Duitsland al veel ophef en verontwaardiging. In de balans tussen professionaliteit en provocatie is hij nu iets teveel naar het laatste doorgeslagen.

Zo betichtte de doyen van de Duitse geschiedschrijving, Hans-Ulrich Wehler, Aly in Der Spiegel van 4 april van `bekrompen materialisme'. De scherpe toon van Wehlers kritiek is deels te verklaren uit zijn ergernis over Aly's eerdere aanval op de `Vordenker der Vernichtung', die ook Wehlers leermeesters waren. Aly ontpopte zich daarmee als late vertegenwoordiger van de generatie van 1968, die zijn intellectuele (groot-)ouders ervan beschuldigde geen verantwoording voor het nazistische verleden te nemen. Maar Wehlers kritiek snijdt niettemin hout, want het valt niet te ontkennen dat Aly teruggrijpt op de materialistische verklaringen van het fascisme, die in de jaren zestig toonaangevend waren. Destijds verklaarde de voorman van de Frankfurter Schule Max Horkheimer: `Wie niet over het kapitalisme wil spreken, dient over het fascisme te zwijgen.' Ook Aly legt het verband met het kapitalisme, maar, anders dan in eerdere fascisme-theorieën, wijst hij niet langer op de steun van het grootkapitaal. Hij is dan ook kritisch over de recente onderzoeken naar financiële aspecten van de jodenvervolging, omdat daar een te eenzijdige nadruk op de rol van het bedrijfsleven en van individuele profiteurs ligt.

De kern van zijn benadering is de slotzin van Hitlers Volksstaat, met een variant op Horkheimer: `Wie niet over de voordelen voor miljoenen eenvoudige Duitsers wil spreken, dient over het nationaal-socialisme en de Holocaust te zwijgen.' Hitler gaf leiding aan een `zorgzame dictatuur', die zich gevoelig toonde voor de stemming onder het volk en gericht op was op het behoud van koopkracht voor `Otto Normalverbraucher'. Zoals Aly met zijn woordkeuze in de ondertitel van zijn boek (`Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus') al aangeeft, was het socialisme in het nazisme volgens hem sterker dan het nationalisme. Hitler en consorten waren zich scherp bewust van klassentegenstellingen en streefden ernaar via `Steuerbolschewismus' (`belastingbolsjewisme'), zoals Lutz Graf Schwerin von Krosigk, minister van Financiën van 1932 tot mei 1945, het noemde, de Duitse volksklassen zo veel mogelijk te behoeden voor de kosten van de oorlog. Dat streven was ingegeven door het `trauma van 1918', de Eerste Wereldoorlog die Duitsland verloren zou hebben door de verwaarlozing en demoralisatie van het thuisfront. `Dat nooit weer' zou de leidraad zijn voor de stabilisering van Hitlers macht en de verklaring voor de brede steun aan zijn moorddadige bewind.

Hoe overtuigend die stelling is hangt erg af van de reikwijdte die eraan wordt toegekend. In de meest beperkte zin gaat het om de gedachte dat de nazi's de kosten van de oorlog en de bezetting afwentelden op de bezette gebieden en zo de eigen bevolking ontzagen. Zonder enige twijfel werd er op grote schaal geroofd en geplunderd. Dit werd in een legaal jasje gestoken, door in ruil voor geconfisqueerde goederen Reichskreditkasse-scheine uit te reiken, pseudo-Reichsmarken, die slechts waren te gebruiken in bezette gebieden en daar tegen een vaste en onvoordelige koers inwisselbaar waren voor de lokale munt.

Een andere bron van inkomsten vormde dwangarbeid, die door de Duitse bedrijven wel werd betaald, maar waarvan de sociale lasten en een groot deel van het nettoloon direct naar de Duitse schatkist vloeiden. In totaal zou op die manier zo'n 166 miljard Reichsmark zijn binnengehaald. Dat bedrag zou volgens Aly minstens 66 procent van de totale Duitse kosten van de oorlog zijn. De overige 33 procent zou grotendeels door de meest verdienenden en door het Duitse bedrijfsleven zijn betaald. Daardoor bleef de belastingdruk voor `gewone Duitsers' laag en kon de heffing van een speciale oorlogsbelasting worden vermeden.

Aly's cijfers zijn omstreden. Als hij de kosten van de Duitse bezetting voor de bezette gebieden optelt, rekent hij alles mee wat er maar te bedenken valt, en komt dan uit op enorme bedragen. De economische effecten van Duitse investeringen in de bezette gebieden rekent hij echter niet mee. Zoals blijkt uit het recente onderzoek van de Rotterdamse hoogleraar Hein Klemann naar de Nederlandse economie tussen 1938 en 1948, blijken die investeringen in ieder geval tot 1942 te hebben bijgedragen aan economische groei. Als Aly de lasten van de oorlog voor de Duitse bevolking berekent, kijkt hij vooral naar de inkomstenbelasting. De negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de particuliere spaartegoeden neemt hij niet op in zijn sommetjes. Ook is het nog maar de vraag of het Duitse belastingpeil in vergelijking met andere landen nu echt zo laag was. Maar hoe zinnig zijn deze tegenargumenten? Mensen vergelijken hun situatie niet met andere landen, maar eerder met hun eigen situatie in het recente verleden. De belastingdruk kan in internationale vergelijking hoog zijn, maar niet veel hoger, of zelfs lager dan voor de machtsgreep van de nazi's. Ook is het mogelijk dat de kosten van de oorlog niet ten laste kwamen van de modale Duitse belastingbetaler en afgewenteld werden op de bezette gebieden, maar dat sluit niet uit dat die gebieden in economische zin per saldo meer wonnen dan verloren tijdens de eerste jaren van de bezetting. Zeker voor de periode 1943-1945 is het wel duidelijk dat de last van de Duitse plunderingen steeds zwaarder begon te wegen.

Aly laat het niet bij deze stelling, maar wil in zijn studie ook de verder gaande bewering onderbouwen, dat de steun van de Duitse bevolking is gekocht met de opbrengsten van plundering en roof. Deze passages behoren tot de sterkste delen van het boek en maken duidelijk dat veel Duitsers direct materieel voordeel bij de oorlog hadden. Duitse soldaten stuurden op grote schaal goederen terug naar huis – wagon- en bootladingen vol. De bedragen waar ze over konden beschikken waren aanzienlijk en ze mochten zoveel paketten meeslepen als ze konden dragen, voorzover dat hen niet belemmerde om een meerdere op gepaste wijze te groeten. Toen de staatssecretaris van Financiën Fritz Reinhardt bezwaar maakte dat over al die goederen wel invoerbelasting betaald moest worden, verklaarde Hermann Göring `dat hij liever had dat er een ongelooflijke massa binnengesmokkeld wordt, dan dat er door de douane niets doorkomt'.

Ook de 'unburokratische Soforthilfe' was gebaseerd op roof. Duitsers die getroffen waren door geallieerde bombardementen konden terstond en zonder bureaucratische rompslomp materiële hulp verwachten, onder andere in de vorm van wat heette `Hollandmöbeln', die de firma Puls de Nederlandse joden afhandig had gemaakt. Tezamen met de speciale, gunstige regelingen voor de familie van frontsoldaten en de in het algemeen gematigde belastingdruk zou volgens Aly zo 95 procent van Duitsers rechtstreeks baat hebben gehad bij het regime. Dat kwam met name tot uitdrukking in de lonen, die volgens Aly tussen 1939 en 1941 zelfs stegen met 21 procent. Daarbij vermeldt hij wel dat die stijging mede het gevolg is van langere werktijden, maar hij gaat voorbij aan de verzwaring van de arbeidsomstandigheden die met repressie van de vakbeweging tot stand was gekomen.

Dat neemt niet weg dat de materiële voorspoed een belangrijke verklaring is voor de steun van de bevolking. Aly's bevindingen op dit punt sluiten aan bij eerder onderzoek van Robert Gellately in Backing Hitler. Consent and Coercion in Nazi Germany en van Eric Johnson in The Nazi Terror. The Gestapo, Jews, and Ordinary Germans. Daaruit bleek al dat het merendeel van de Duitsers zich niet bijzonder bedreigd voelde door het regime. De financiële voorspoed van de Duitse bevolking is evenwel maar zeer ten dele gerelateerd aan de jodenvervolging. Niet meer dan vijf procent van totale inkomsten was van joden afkomstig. Een veel groter deel kwam voort uit directe heffingen op bezette gebieden, uit het voor een schijntje leegkopen van bezette gebieden in wat wel genoemd werd de `Kahlfraßzone' (`kaalvreet-zone'), en door regelrechte uithongering van krijgsgevangenen, om te beginnen soldaten van het Rode Leger.

Aly's stelling wordt nog problematischer wanneer hij beweert dat het verloop en het ritme van de jodenvervolging werden gedicteerd door materiële belangen. De voorbeelden daarvan zijn op het eerste gezicht treffend. Zo wijst hij erop dat de joodse bevolking eerst uit de gebombardeerde steden werd gedeporteerd, opdat hun huizen en huisraad voor niet-joodse bombardementsslachtoffers beschikbaar kwamen. Ook de samenhang tussen de acute financiële crisis van de Duitse staat en de strafbetaling van één miljard rijksmark die de joodse gemeenschap na Kristallnacht werd opgelegd, is opvallend. Al in zijn boek Endlösung heeft Aly gewezen op de onwil om kosten te maken voor het in leven houden van joden in het Generalgouvernement, een deel van het voormalige Polen, waardoor de vernietiging op gang kwam. Maar meer dan een opvallende samenhang is hier niet te bespeuren. Overtuigende causale verbanden zijn het niet, alleen al omdat de omvang van het van joden gestolen bezit te beperkt was om de Duitse staatsfinanciën fundamenteel te beïnvloeden.

De meest radicale variant van de stelling die Aly verdedigt, is dat de jodenvervolging als geheel verklaard moet worden uit financiële motieven. Hij wijst op drie dominante motieven voor de jodenvervolging: rassendenken, de drang naar meer Lebensraum waarin voor joden geen plaats was, en de angst voor een joodse vijfde kolonne. Volgens Aly zou daaraan een vierde motief toegevoegd moeten worden, namelijk het financiële. De bewijsvoering is hier zeer wankel. Zo bespreekt Aly de joden van Saloniki, en beweert hij dat zij werden vervolgd om daarmee de Griekse inflatie te beteugelen. Maar hij verzuimt uit te leggen waarom een impuls van gestolen goederen in de Griekse economie het Duitse volk niet alleen ten goede zou komen, maar zelfs zou doen afzien van protest tegen een moorddadig regime. Aly haalt ook het Nederlandse voorbeeld aan en betoogt dat in oktober 1942, `pas nadat de overdracht van vermogens afgerond was, de Duitsers de joden vogelvrij verklaarden'. Dat de deportaties al in juni 1942 begonnen en dat het vogelvrij verklaren van Nederlandse joden onderdeel was van een gecoördineerde actie waarin ook de joden in België en Frankrijk betrokken waren, ontgaat Aly. Hij zondigt ook tegen de chronologie met zijn laatste argument dat alle beslissingen over deportatie samenhangen met een financiële crisis in 1942-1943. Hij vergeet dan dat volgens de meeste historici van de Holocaust een beslissing, of althans eensgezindheid over de massamoord al was bereikt in het late najaar van 1941.

Veel critici hebben Aly's boek opgevat als verdediging van deze laatste stelling en hem niet alleen aangevallen vanwege zijn onbetrouwbare rekenarij en zijn botte materialisme. Ook klonk de beschuldiging dat hij met deze herleiding van de Holocaust tot een plat materieel belang bij zou dragen aan de rationalisering, relativering, en `ontduitsing' van het fenomeen. Daarmee zou hij de suggestie wekken dat iedereen voor een paar grijpstuivers genocide zou gedogen. Die reactie is nog steeds kenmerkend voor de schrille toon van het debat over oorlog en vervolging. Dat is jammer, omdat in een wat gematigder variant Aly's stelling wel degelijk urgent is.

Zo vat hij zijn betoog samen in de gedachte dat `de zorg om het volkswelzijn van de Duitsers het beslissende motief was voor de politiek van de terreur, uitbuiting en vernietiging'. Daarmee wijst hij op een verband tussen de verzorgingsstaat en de `vernietigingsstaat', die al veel langer besproken wordt door historici en theoretici van de verzorgingsstaat.

Direct na de oorlog ging het om de verhouding tussen warfare en welfare. Uit recente studies blijkt telkens weer dat de wortels van de verzorgingsstaat liggen in experimenten met staatsinterventie tijdens de Eerste, maar nog veel sterker tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aly poogde bij deze discussie aan te sluiten, toen hij in september 2004 in de Süddeutsche Zeitung de stelling opperde dat `de regering SchRÖder/Fischer voor de historische taak staat om afscheid te nemen van de volksgemeenschap'. Hij suggereerde dat Duitsland pas met de veel besproken hervorming van de verzorgingsstaat, afscheid nam van Hitlers Volksstaat. Dat was misschien niet zo kies. Maar dat doet niets af aan het feit dat er wel degelijk een dilemma is voor de huidige verzorgingsstaten, die binnenlandse sociale rechtvaardigheid alleen maar kunnen financieren bij de gratie van internationale onrechtvaardigheid. Gelukkig zijn er sinds de Tweede Wereldoorlog nieuwe en geweldloze vormen van internationale concurrentie en conflicthantering ontstaan. Maar dat neemt niet weg dat de historische relatie tussen de op nationale leest geschoeide verzorgingsstaat en de vernietigingsstaat nauwer kan zijn dan ons lief is.

Götz Aly: Hitlers Volksstaat. Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus. S. Fischer Verlag, 445 blz. €22,90