Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

De Drie als stoplap

Achttien van de 241 Duitsers, die in Nederland na 1945 zijn berecht, hoorden de doodstraf tegen zich eisen. Vijf kwamen daadwerkelijk voor het vuurpeloton, vier werden bij verstek veroordeeld en de overige negen kregen gratie, wat neerkwam op levenslang. Van deze groep liepen er in 1960 vijf vrij rond, maar voor de overige vier kwam geen (tweede) gratiebesluit. Waarom juist Willi Lages, Ferdinand aus der Fünten, Franz Fischer en Joseph Kotälla jarenlang gevangen zijn gehouden, is een van de kwesties die Hinke Piersma (1963) in De Drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap 1945-1989 aan de orde stelt. Piersma, die op 31 maart jongstleden promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam, behandelt deze controversiële en ingewikkelde zaak op heldere wijze.

Merkwaardigerwijs zijn de vier Duitsers de geschiedenis in gegaan als de Drie van Breda; ze waren langer met zijn vieren en met zijn tweeën. Willi Lages kwam in 1966 vrij omdat werd verondersteld dat hij terminaal ziek was (maar hij overleed pas in 1971), Kotälla stierf in 1979 in gevangenschap. Bleven over Fischer en Aus der Fünten. Zij kwamen uiteindelijk vrij in 1989. Ze waren bepaald geen kleine vissen, maar toch ook weer niet de grootste misdadigers. Kotälla was weliswaar kampbewaker in Amersfoort, maar zijn plaatsvervangend commandant, Johann Stöver, kwam al in 1960 op vrije voeten. Een rationele reden voor de lange detentie is dat Lages, Aus der Fünten en Fischer, allen actief in de jodenvervolging, méér slachtoffers hebben gemaakt dan de meeste andere veroordeelde Duitsers. Piersma maakt duidelijk dat emotie in deze kwestie meer verklaart dan ratio alleen. In de loop van de jaren groeide de maatschappelijke tegenstand tegen vrijlating van de Drie van Breda omdat de holocaust steeds meer het morele ijkpunt voor de Tweede Wereldoorlog werd. Detentie als symbolische stoplap voor een etterend nationaal trauma: Nederland zou zijn tekortgeschoten in de bescherming van de joodse bevolkingsgroep.

In haar soepel geschreven boek volgt Piersma de discussie over de Drie op politiek, juridisch en psychologisch-emotioneel niveau met als leidraad de chronologie: van de berechting einde jaren veertig via het protest tegen het omzetten van de doodstraf in levenslang (1951-1952) en de discussies rond pogingen tot `tweede gratie' begin jaren zestig tot de stevige debatten in 1972 en 1989. Belangwekkend is haar biografische benadering van veroordeelden en aanklagers, voor- en tegenstanders. Op deze wijze poogt Piersma recht te doen aan de complexe gevoelens inzake de meningsvorming over de Drie. Met name waar het de gevolgen betreft van de persoonlijke betrokkenheid bij de oorlog op degenen die zich in het debat mengden, had deze invalshoek steviger mogen worden ingezet. Tenslotte, Piersma's verdienste ligt niet alleen in haar gedetailleerde analyse van een zaak die het nationale geweten decennialang tergde, maar strekt zich ook uit naar een hoger plan: hoe gaat een maatschappij om met strafmaat, daders en slachtoffers? Dat hierbij de scheidslijn tussen slachtoffercultuur en slachtoffercultus inmiddels heel dun is, dat maakt deze dissertatie ook pijnlijk duidelijk.

Hinke Piersma: De Drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap 1945-1989. Balans, 280 blz. €19,95