Het nieuws van 28 april 2005

Willem de Kooning

Willem de Kooning (1904-1997), op zijn tweeëntwintigste als verstekeling uit Rotterdam naar Amerika vertrokken, was als kunstenaar lang een zoeker, die moeite had een eigen stijl te vinden. Een typische laatbloeier ook. Tot zijn midden-dertigste werkte hij onder invloed van kunstenaars als De Chirico, MiRÓ en Gorky. Wie in de Kunsthal de drie grauwe, min of meer figuratieve uit begin 1940 ziet, kan zich nauwelijks voorstellen dat dit werk van de toekomstige King of Canvas is. Die weifelachtigheid veranderde in de loop van de jaren veertig toen de Amerikaanse kunstwereld, en dus De Koonings directe omgeving, een eigen identiteit ontwikkelde. Waar Pollock, Rothko en Newman nadrukkelijk een eigen traditie en een eigen, abstracte wereld creëerden, bleef De Kooning proberen de oude en de nieuwe wereld te verbinden. Zelfs toen hij eind jaren veertig een eigen stijl begon te vinden, bleef hij zoeken naar inspiratiebronnen. Als hij aan een nieuw doek begon, keek hij naar afbeeldingen van Cézanne en Picasso, of naar eerdere doeken van hemzelf. Die middenweg tussen figuratie en abstractie en traditie en vernieuwing, markeert De Koonings unieke positie tussen de abstract expressionisten. Wie de selectie van schilderijen in de Kunsthal ziet, beseft dat De Koonings oeuvre één grote zoektocht is geweest naar het combineren en beheersen van zoveel mogelijk elementen op het doek (kleur, verf, vorm, diepte etc ) terwijl hij wist dat die nooit volledig te beheersen waren.