Onze nabobs

Op een van zijn avontuurlijke reizen is Baron von Münchhausen de gast van een nabob. Misschien zult u vragen wat een nabob is. Oorspronkelijk een onderkoning in het rijk van de Grote Mogol, toen in het algemeen een vorst in India, en ten slotte een Europeaan die in Indië schatrijk is geworden. `De miljoenen van de oude nabob', geeft de Grote Van Dale als voorbeeld.

De gastheer van de baron heeft in de loop van zijn nabob-zijn zoveel gegeten, is zo dik geworden dat hij op een speciale troon moet zitten. En dat niet alleen. Door het overal opgehoopte vet kan hij zelf niet meer ademen. Twee knechten blazen met blaasbalgen de verse lucht in zijn neusgaten. Van dit tafereel heeft Gustave Doré een ets gemaakt. Als kind heb ik er met afgrijzen naar gekeken. Een ander plaatje dat mijn weerzin wekte, stond in een sprookjesboek. Een waanzinnig schaterende vrek is zichzelf met goudstukken aan het besprenkelen, terwijl hij roept: `Mijn geldje! Mijn lieve geldje!'

Aan de nabob, de vrek en onze langzamerhand in de vergetelheid rakende volksheld Holle Bolle Gijs moet ik denken als ik lees over de topmanagers die bijna een miljoen per jaar verdienen. Bijna drie jaar geleden heb ik er op deze plaats een stukje over geschreven. Wim Kok was nog minister-president. Hij sprak over weerzinwekkende zelfverrijking. Daar moest een eind aan komen. We zijn twee revoluties en een stuk of wat commissies normen & waarden verder. Grote topmanagers worden beloond met nabob-achtige bedragen. Vakbondsleiders springen uit hun vel, Kamerleden stellen vragen, ministers gaan er iets aan doen, deskundigen komen weer met het fabeltje dat het wel moet omdat anders de grote talenten naar het buitenland vertrekken, en critici uit het gewone volk kijken met verbijstering toe.

Blijvend nationaal vraagstuk. Het heeft drie kanten. Stelt u zich voor: u bent door het bedrijf waar u werkte vorige maand met nog 1.199 mensen wegens reorganisatie ontslagen. U bent `55-plusser'. Uw regering vindt het buitengewoon wenselijk dat u met het oog op de economische toestand zo vlug mogelijk weer aan het werk gaat. U hebt intussen gehoord dat u daarvoor een omscholing tot krantenbezorger moet volgen. Daar bent u mee bezig, en dan leest u over een nabob van bijna een miljoen. Dat is niet goed voor uw humeur.

De tweede kant: de vraag hoe en in welke mate verdiensten in beloningen met geld kunnen worden uitgedrukt. In communistische systemen werden arbeiders die buitengewoon hard konden werken aan de rest ten voorbeeld gesteld. Aleksej Stachanov was de ideale mijnwerker, naar wie het stachanovisme is genoemd. Hij werd navenant beloond. Voor het salaris van de bazen golden maxima. Daar wisten handige bazen in het geheim wel raad mee. De voltooiing van deze wereldmislukking hebben we al bijna zestien jaar achter de rug. Moet je een nieuw systeem bedenken voor het begrenzen van beloningen? In politiek opzicht valt er iets voor te zeggen, maar het staat me tegen.

We komen aan de moeilijkste kant. Waarom wil iemand zo veel geld hebben? Wat gaat hij/zij ermee doen? Hoeveel geld kan iemand aan? Vraag het in je omgeving. Als je onmetelijk veel geld had, wat zou je dan gaan doen? Een huisje in Italië kopen. Met een geluidsinstallatie en alle muziek. Een kroegje kopen met elke zaterdagavond levende muziek. Een Porsche Carrera! Een paard! Ophouden met werken en verre reizen maken. Een groter huis. Onmetelijk veel geld? Zorgvuldig geheim houden, niet op de lijst van Quote komen. Emigreren. Uit mijn beperkte enquête kwamen alleen betrekkelijk bescheiden wensen tevoorschijn. Niemand wilde een jacht of een privé-jet of een paleis. Met een jaarsalaris van honderdduizend euro zouden alle ondervraagden ruim tevreden en misschien gelukkig zijn.

Waarom willen mensen meer? Er is een soort dat niet kan ophouden met eten. Vetzakken zijn er altijd geweest, maar de laatste tientallen jaren is het te dik zijn tot een kwaal van het Westen geworden. Overal hoor je de krakende zakjes en zie je de kauwende kaken en de dikke penzen. Het is een van de eenvoudigste vormen van het meer willen hebben, meer dan je nodig hebt, meer dan je kunt verwerken. Het resultaat is lelijk.

Gaat het op die manier ook met geld? Veel geld hebben is gemakkelijk. Dan komt er een maximum. Daarna moet je gaan denken: wat wil je nog meer hebben, waaraan zal ik de volgende honderdduizend eens uitgeven? Nog een auto, een vliegtuig, een huis met meer kamers, lol trappen op Tahiti, een Picasso boven de schoorsteen, een weekje in Oelan Bator, op een cruise naar Antarctica. Hoe meer je denkt, hoe zinlozer hoogten je bereikt. Zinloze rijkdom. Gaat dat die mensen niet vervelen? Blijkbaar niet. Dat is het raadsel van de nabob.

Er is een oud joods grapje. Als je iemand niet het allerbeste toewenst, maar wel beleefd wilt blijven, zeg je: ,,Ik wens u veel personeel.'' Toch zijn er mensen die dat fijn vinden.