Maak Nederland op alle fronten nieuw

Gekozen burgemeester? Kiesstelsel? Op het verlanglijstje voor bestuurlijke vernieuwing staan veel belangrijker zaken, die verder gaan dan politieke veranderingen, vindt Bart Nooteboom.

In het nu opgelaaide debat over bestuurlijke vernieuwing wordt daarmee meestal politieke vernieuwing bedoeld. Dan gaat het om verbetering van de relatie tussen politiek en burger. Dat is een goed idee, maar echte bestuurlijke vernieuwing zou veel verder moeten gaan en zich ook moeten richten op innovatie van de organisatie van bedrijfstakken, bedrijven en arbeid.

Het kabinet heeft de mond vol van innovatie, maar heeft aan bestuurlijke innovatie buiten de politiek nauwelijks aandacht besteed. Het innovatieplatform sprak van sociale innovatie, maar heeft dat niet uitgewerkt.

Voor het kabinet betekent `sociale innovatie' afslanking van sociale voorzieningen, zoals WW, AOW, en straks ook de AOW; vermindering van vervroegde pensionering; flexibilisering van arbeid, vooral in gemakkelijker ontslag; en individuele beloning naar prestatie. Dat is allemaal erg defensief. Dergelijk beleid richt zich eerder op verlaging van kosten dan op groei en concurrentie door innovatie.

Een bedrijfstak die anders georganiseerd moet worden is de bouw, vooral de bouw van woningen en kantoren. Daar bedragen de zogeheten faalkosten zo'n 25 procent van de verkoopprijs, ofwel acht keer de nettowinst.

Dat falen ligt in gebrek aan afstemming tussen de schakels in de bouw, naar tijd, plaats, standaard en kwaliteit. De loodgieter komt na de tegelzetter en boort de nieuwe tegels stuk omdat die leiding er nog even in moet. Dit is allemaal bekend in de bouw en op Economische Zaken, maar het wordt nauwelijks beter. De bouw zegt zelf dat het systeem moeilijk te veranderen is, omdat het ligt aan een verkeerde mentaliteit en een te lage opleiding door de gehele bouwketen heen. Dat mag op korte termijn gelden, op de lange termijn is het een slap excuus.

Eigenlijk zou deze bedrijfstak helemaal opnieuw moeten worden georganiseerd, op geheel nieuwe principes. Hierbij valt veel te leren van de auto-industrie. De overheid zou kunnen helpen bestaande patstellingen in de bouw te doorbreken, door opdrachten te gunnen aan bedrijven die vernieuwing op het spoor zetten.

Dat zou kunnen in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken en de Rijksgebouwendienst, al was het alleen al wegens de grote bedragen die de overheid zelf aan de bouw besteedt. Maar ja, dat zijn gescheiden instellingen en die werken niet gemakkelijk samen op zich ook al onderwerp voor bestuurlijke vernieuwing binnen de overheid.

Een ander voorbeeld is het bestuur van grote ondernemingen (corporate governance). De commissie-Tabaksblatt, die daarvoor was ingesteld, heeft het lek nog niet boven water. Bedrijven storten zich in fusies en overnames, terwijl keer op keer is aangetoond dat die meestal falen. Het gebeurt toch, om redenen van prestige, imitatiegedrag, machogedrag en spierballenvertoon, behoud en vergroting van de persoonlijke positie en macht van managers. Commissarissen falen in hun toezichthoudende taak, omdat zijzelf als managers het spel meespelen.

Als ergens dringend sociale innovatie nodig is, is het wel in de positie van allochtonen. De huidige angst en hetzes moeten tot het verleden gaan behoren, ze drijven de allochtonen alleen maar verder in hun schulp. Allochtonen die willen integreren en zich willen inzetten voor de gemeenschap, doen dat alleen als er een zeker procedurele rechtvaardigheid is, waarin zij respect krijgen, acceptatie van hun eigen religie en uiterlijk, gelijke rechten en plichten, inclusief toegang tot arbeid en ondernemerschap, en de gelegenheid om mee te praten over de inrichting van de samenleving.

We hebben jàren afgegeven op Oostenrijk, maar daar schijnen ze meer naar allochtonen te luisteren dan wij. We hoeven niet allemaal gelijk te zijn in denken en uiterlijk, zolang we ons houden aan dezelfde regels. Dat geldt voor allochtonen èn voor onszelf.

Ook in de organisatie van arbeid is dringend sociale innovatie nodig. We roepen om levensloopregelingen in fiscale regels en sociale voorzieningen, maar de organisatie van levensloop in bedrijven komt niet aan bod. We roepen om langer werk door ouderen, maar ontwikkelen niet de bijbehorende vormen van werk. We roepen om meer werk door vrouwen, maar nog steeds is de kinderopvang in bedrijven niet op orde. We roepen om meer wisselwerking tussen wetenschap en samenleving, maar dat vergt personele mobiliteit tussen universiteit en bedrijven, en daar liggen obstakels, bij zowel universiteit als bedrijven, die minder moeten worden. We roepen om flexibiliteit en individuele beloning van werk, maar die kunnen averechts werken.

Werkers investeren alleen in voor het bedrijf specifieke kennis, als bron van hoge toegevoegde waarde, als men weet dat men zijn baan een tijdlang behoudt om die investering de moeite waard te maken. Enige continuïteit is ook nodig voor de werkgever om investering in zijn mensen de moeite waard te maken.

We hebben de mond vol van kenniswerk en de `doelstellingen van Lissabon', maar houden vast aan opvattingen van bestuur die daar niet mee te rijmen zijn. Je kunt kenniswerkers niet vertellen wat ze moeten doen en hoe, omdat ze dat zelf beter weten, toezicht en controle moeilijk zijn, en productiviteit vaak moeilijk te meten is.

Men zal het meer moeten hebben van intrinsieke motivatie, in uitdaging, creativiteit, plezier in werk en persoonlijke groei. Innovatie is veelal een kwestie van samenwerking binnen en tussen bedrijven. Binnen bedrijven vergt dat werk in gemeenschappen, en individuele beloning kan dat in de weg zitten.

Al deze vormen van sociale innovatie zijn alleen mogelijk in samenwerking tussen werkgevers en werknemers, die beiden hun defensieve houding om moeten zetten in een meer actieve, innovatieve houding. De overheid heeft een rol als stimulator, initiator, en als breker van patstellingen en andere obstakels voor vernieuwing. Er zijn uitdagingen en kansen volop voor bestuurlijke vernieuwing die veel verder gaat dan kiesstelsel en gekozen burgemeester.

Bart Nooteboom is hoogleraar innovatiebeleid aan de Universiteit van Tilburg.