Gebruik koran niet in emancipatiestrijd

Een debat over koranteksten verheldert geenszins ons begrip van de positie van de vrouw in het moslimhuwelijk, meent Egbert Dommering.

Op de Opiniepagina van 24 maart besprak Herman Philipse het vonnis van de Haagse voorzieningenrechter van 15 maart in het kort geding dat tegen het Kamerlid Hirsi Ali was aangespannen. Door een aantal moslims werd onder meer geëist dat zij de door haar gedane uitlating dat Mohammed een pedofiel was rectificeert. Dit omdat zij die passage beledigend en onrechtmatig vinden. De rechter willigt dat verzoek niet in omdat hij vindt dat Hirsi Ali destijds de uitlating over pedofilie kon doen in verband met het verhaal dat de profeet Mohammed een negenjarig meisje Aisha heeft gehuwd, en zij dat verband ook in haar uitlating had gelegd. Hij zegt echter ook dat de term `pedofiel' in het huidige spraakgebruik de geladen betekenis heeft van een afwijkende seksuele geaardheid en dat herhaling van de uitlating buiten het verband van het historische verhaal beledigend kan worden. Hij voegt er aan toe dat je voorzichtig moet zijn met de toepassing van eigentijdse waardeoordelen op oude samenlevingen met een geheel van ons afwijkend waardepatroon.

Het is deze passage waaraan Philipse zich stoort. Er zijn twee redenen om op zijn bijdrage te reageren. De eerste reden is dat hij stellingen over het recht van vrije meningsuiting verkondigt die mijns inziens onjuist zijn. De tweede reden is dat zijn bijdrage het debat over de positie van vrouwen in moslimhuwelijken dreigt te versmallen tot een discussie over de vermeende betekenis van overgeleverde koranteksten.

Philipse beroept zich op jurisprudentie van het Straatsburgse Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof zou vergaande godsdienstkritiek toestaan, omdat de vrijheid van meningsuiting er zou zijn `to offend, shock and disturb'. Deze passage uit een tweetal standaardarresten van het Hof is in het debat over de grenzen van de vrijheid al vaker uit zijn verband gelicht. Ze krijgt zo de betekenis als zouden wij bij een meningsuiting vooral moeten schokken en beledigen. Het Hof heeft in een tweetal arresten uit de jaren zeventig (Handyside en Sunday Times) echter iets anders gezegd, namelijk dat artikel 10 van de Mensenrechtenconventie (dat de vrijheid van meningsuiting beschermt) er niet alleen is om informatie en ideeën te beschermen die gunstig worden ontvangen, maar ook ideeën en informatie waarbij dat niet het geval is: ideeën die aanstoot geven, schokken of verontrusten.

Het gaat dus niet zozeer over de vorm als wel over de inhoud. Ten aanzien van de vorm heeft het Hof een Europese norm ontwikkeld die meer ruimte laat om negatieve waardeoordelen te uiten over personen die een publiek ambt vervullen, al valt het op dat het Hof aan de feitelijke onderbouwing van die waardeoordelen steeds strengere eisen stelt. Dat is niet het geval bij zaken van godsdienst en moraal. In die zaken stelt het Hof zich juist zeer terughoudend op. Het laat het stellen van grenzen over aan nationale autoriteiten omdat opvattingen over moraal en godsdienst per nationale gemeenschap zeer uiteenlopen. Het is precies deze grens die de Haagse rechter probeert te bepalen voor de Nederlandse gemeenschap, rekeninghoudend met enerzijds het belang van open godsdienstkritiek, anderzijds het belang dat kwetsbare godsdienstige gevoelens worden beschermd.

Philipse maakt nog een andere vergissing. Hij vindt dat een rechter niet iets zou kunnen zeggen over een toekomstige uitlating, omdat daarvan een `chilling effect' zou uitgaan. Die laatste term komt uit de rechtspraak van het Amerikaanse Supreme Court en is overgenomen door het Straatsburgse Hof. Deze ziet vooral toe op situaties dat de verbodsnorm te vaag is, zodat het individu bevreesd (`chilled') zal worden bepaalde dingen te zeggen, omdat de kans bestaat dat het nog binnen het te vage verbod zal vallen. Die situatie doet zich hier niet voor. De rechter beoordeelde de term binnen een concreet omschreven geval en komt tot het oordeel dat het gebruik niet onrechtmatig was, zodat ook geen aanleiding was voor een rectificatie. Hij zegt echter ook dat het ene koranverhaal een onvoldoende feitelijke onderbouwing is om in het algemeen de term `pedofiel' op Mohammed toe te passen. Dit is een voldoende nauwkeurige norm.

Dit brengt mij automatisch op mijn tweede punt. Verheldert dit debat over koranteksten ons begrip van de positie van de vrouw in het moslimhuwelijk? Mijn antwoord is nee: een discussie over de betekenis en invloed van een oude overgeleverde tekst versmalt niet alleen het probleem maar ontneemt ook het zicht op tal van andere sociaal-culturele factoren die achterblijvende emancipatie veroorzaken.

In de christelijke cultuur doen we allang niet meer aan bijbeltekst-analyse om scheve man-vrouwrelaties te verklaren.

Mr. Egbert Dommering is hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam en advocaat.