Drie procent is drie procent

De geschiedenis van de euro gaat terug tot het Verdrag van Maastricht uit 1992. Daarin werd de komst van een gezamenlijke munt afgesproken en één Europees monetair beleid om de stabiliteit van de munt te waarborgen. In 1997 werden op aandrang van met name Duitsland in wat toen het Stabiliteits- en Groeipact ging heten, drie criteria geformuleerd om de stabiliteit van de euro te waarborgen. Een lage inflatie (niet veel hoger dan het EU-gemiddelde, een begrotingstekort minder dan 3 procent van het bruto binnenlands product van een lidstaat en een staatsschuld lager dan 60 procent van het bruto binnenlands product of zich in die richting bewegend. Wie zich niet aan de norm hield zou, na een besluit daartoe van de lidstaten, door het Hof van Justitie worden veroordeeld tot een boete.

Na invoering van de euro, op 1 januari 2002, bleek Duitsland al snel zelf een risicofactor. De kosten van de Duitse hereniging stegen waardoor de overheidsuitgaven uit de hand liepen en het begrotingstekort jaar op jaar de 3 procent overschreed. Ook Frankrijk kon door een kwakkelende economie niet aan de eisen van het Pact voldoen. Zelfs Nederland had in 2003 een begrotingstekort boven de 3 procent (3,2 procent). Hoewel de eurocriteria door de twee grote landen werden overschreden, bleef de gemiddelde inflatie in Europa laag en steeg de euro in waarde.

De criteria voor overheidstekorten en de overheidsschuld zijn opgenomen in de Europese Grondwet, maar een poging van het Nederlandse kabinet daarnaast een gedetailleerde toepassing van het begrotingscriterium in de constitutie te krijgen met een sterke rol van het Hof van Justitie als bewaker van de afspraken, mislukte mede door verzet van de Duitse bondskanselier Schröder.