ABN Amro met bod zelf ook doelwit

De koers van ABN Amro verloor procenten na haar Italiaanse bod. Wat willen beleggers zeggen? Zien zij de bank liever als overnamekandidaat?

Boem, boem, boem. In een lange klap bijna 5 procent van de koers af.

ABN Amro kondigde gisteren een miljardenbod op de Italiaanse middelgrote bank Antonveneta aan, plaatste 135 miljoen nieuwe aandelen bij beleggers en kreeg een koude douche. De beurskoers daalde bijna 5 procent, maar krabbelde vanochtend wat op.

De koers van een bieder daalt meestal bij een overname. Beleggers moeten nog zien of de voorgespiegelde voordelen worden gerealiseerd. Internationale overnames staan bekend als waagstukken, die brokken kunnen geven.

ABN Amro heeft 6,3 miljard euro over voor de ruim 87 procent van de aandelen in Antonveneta die zij nog niet heeft. Het bod is 25 euro per aandeel, handje contantje. Vanmorgen zei ABN Amro dat 135 miljoen aandelen zijn geplaatst tegen een koers van 18,65 euro. Opbrengst: 2,5 miljard euro.

Het lichte koersherstel vanochtend was een plezierige opluchting voor de bank. Het maskeert de koersval sinds de geruchtenstroom over een bod aanzwelde. Op 15 februari piekte het aandeel ABN Amro op 21,40 euro, vanmorgen was het 19,10 euro. In zes weken is bijna 11 procent beurswaarde verdampt.

Als het nu zo was dat de ABN Amro-aandelen al torenhoog gewaardeerd zijn, dan was de koersval nog overkomelijk. Maar ABN Amro is dat niet. Beleggers betalen volgens gegevens van informatieleverancier Datastream acht maal de winst per aandeel over 2004 – een koers-winstverhouding van acht. Banken in de eurozone zijn gemiddeld veel hoger gewaardeerd, met een koers-winstverhouding van 13,3.

De lage waardering van de bank weerspiegelt scepsis onder analisten en grote beleggers. Het rendement op het vermogen is wel hoog, maar de inkomstengroei is eruit. Ook de indicaties over het eerste kwartaal vielen wat tegen.

Groeiende winst met een stabiele ondertoon draagt bij aan een hoge beurswaardering. En zo'n hoge beurswaardering maakt het makkelijker om andere banken te kopen door nieuwe aandelen met een hoge koers uit te geven. Het begint met ambitie: ABN Amro wist weliswaar de laatste tien jaar verder te expanderen in Noord- en Zuid-Amerika, maar moet nu terug naar het groeipad. En daar zit de Europese bankenmarkt in de weg. De perikelen rond Antonveneta – en de onzekere afloop van het bod – zijn daar illustratief voor.

Dat werpt de vraag op: wat willen beleggers met de koersdaling zeggen? Zien zij ABN Amro soms liever als een overnamedoel?

Het bod op Antonveneta maakt ABN Amro, paradoxaal genoeg, inderdaad zelf een aantrekkelijker doelwit. De bank heeft nu opeens 2,5 miljard extra in kas door de uitgifte van de nieuwe aandelen. Als de overname van Antonveneta mislukt, bijvoorbeeld doordat een Italiaanse concurrent een hoger tegenbod doet, verliest ABN Amro de strijd, maar krijgt zij wel 1 miljard euro (of wat meer) voor haar huidige aandelenpakket. Dat betekent: 3,5 miljard extra in kas, dat is 10 procent van de beurswaarde.

Wie een bod durft te doen op de bank, verdient dat geld direct terug. Dat kan de fantasie van overnameartiesten prikkelen. Maar ook van concurrenten, die naar de bezittingen van de bank kijken. Amerikaanse banken zijn op de beurs bijvoorbeeld veel meer waard dan ABN Amro. Verkoop van de Amerikaanse bezittingen ABN Amro levert zomaar 12 miljard euro op. Europese banken die in Europa willen groeien, hebben die potentiële opbrengsten natuurlijk al gezien. Maar ja, overnames zijn waagstukken, die gemakkelijk tot politieke en zakelijke onrust leiden, zoals nu in Italië.

Omgekeerd geldt: hoe meer ABN Amro erin slaagt een strategie door te voeren waarbij zij zelfstandig blijft, hoe kleiner de kans dat zij zelf wordt opgekocht. Mocht het bod op Antonveneta mislukken, dan zou het aandeel ABN Amro daarentegen meer te boek gaan staan als overnamedoel, en juist kunnen stijgen. Kenmerkend voorbeeld: de koers van Antonveneta is de laatste zes maanden juist op die overnamegeruchten bijna 50 procent gestegen.

Bestuursvoorzitter van ABN Amro, R. Groenink, die eerder zelfstandigheid bovenaan zette maar een overname als laatste optie ook niet uitsluit, mag bewijzen dat de markt niet altijd gelijk heeft.