Jomme

Zondagmiddag vier uur, de beloofde regen is uitgebleven. Sterker nog, de vlakte van Nordrhein-Westfalen krijgt een dunne zon cadeau. Het is rustig op de A57. Ik stel vast dat de enkeling in zijn verlaagde, uitgebouwde, en op brede, aluminium velgen gezette BMW zich als een lammetje gedraagt. Ik ben op weg naar de laatste bocht, mijn bocht, de bocht der bochten.

Bij het uitkomen van de bocht aanschouw ik eindelijk de fata morgana waarop ik me al weken verheug: in de verte ligt Keulen. Ik zeg het verkeerd, in de verte ligt een urbane woestenij waar boven uit het logge lichaam van de Dom zich verheft. Zoals een kloek de eieren tegen haar borstbeen drukt, zo ontfermt de Dom zich over de vergeefsheid. Er is de Dom, en niets dan de Dom. Een skyline als die van Keulen wens ik elke stad toe.

Zondagavond, zeven uur. In het Deutches Sport & Olympia Museum draagt een drietal (wieler-)auteurs voor uit eigen werk. Het zaaltje is goed gevuld. (Goed gezien van de organisator om de lezingen te verbinden met de klassieker Rund um Köln, een dag later.) Marcel Wüst krijgt de lachers op zijn hand. De sprinter die tijdens een tragisch wielerongeval een oog verloor blijkt een hilarische schrijfstijl te bezitten. Philipp Köster, onderzoeksjournalist, leest voor uit Lötzsch.

Het begint me op te vallen dat de toehoorders geboeid blijven. Na twee uur voordracht is er nog altijd niemand naar het toilet gevlucht.

Ik begrijp dat Lötzsch begin jaren zestig van de vorige eeuw zich openbaarde als de Merckx aan de andere kant van De Muur. Lötzsch was een godgeschenk totdat de Stasi in haar oneindige wijsheid anders besliste. Lötzsch kon opeens niet meer rekenen op de steun van een wielervereniging, wielerbond of staat. Philipp Köster is na de Wende in de Stasi-archieven gedoken en heeft in de achtduizend pagina's dossier nergens een aanwijzing kunnen vinden waarom Lötzsch staatsgevaarlijk zou zijn geweest. In ongeveer vierduizend pagina's werd beschreven hoe hij sliep. Lötzsch was waarschijnlijk het slachtoffer van werkverschaffing.

Het is belangrijk dat geschiedenissen als die van Lötzsch opgeschreven worden. Ze zijn niet zonder betekenis.

Ik draag voor uit mijn boek `Santander'. In het Duits – er is onlangs een vertaling verschenen. Jomme (Guillaume) was mijn eerste professionele soigneur. Tijdens de oorlog was hij in een werkkamp beland. De commandant van het kamp, impotent omdat aan het front behalve een been ook zijn mannelijkheid er van af was geschoten, had Jomme vanwege zijn fiere gestalte uitverkoren voor een speciale missie: Jomme moest dagelijks meisjes naaien terwijl de commandant vanachter een scherm toekeek. Nadien kreeg Jomme stevige biefstukken te eten om aan te sterken.

Ik heb de lachers op mijn hand.

Dan sta ik opeens voor de uitspraak van Jomme die in vertaling zo uitpakt: `Der beste Deutsche ist ein toter Deutscher.'

`Das kan ich nicht lesen', roep ik uit. Onder de beschermende vleugels van de Dom doe ik het toch.