In Kirgizië gloort de revolutie niet

Centraal-Azië wordt eerder geteisterd door economische en sociale conflicten dan door politieke. En zij zulen door de huidige instabiliteit eerder erger dan beter worden, meent Elinor Burkett.

De haastige aftocht van president Askar Akajev uit zijn hoofdstad Bisjkek afgelopen week wordt al even uitbundig verwelkomd als de Rozenrevolutie in Georgië in 2003 en de Oranje Revolutie die Viktor Joesjtsjenko in november aan de macht bracht in Oekraïne. De democratie rukt op, horen wij: weer is een despoot uit de voormalige sovjetwereld aan de kant geschoven.

Het is een mooi verhaal, maar wie probeert het politieke oproer in dat arme Centraal-Aziatische land in het paradigma van de dag te proppen, kan net zo goed proberen een olifant op te zetten in de huid van een gorilla.

De feiten zijn als volgt. In Georgië werd president Edoeard Sjevardnadze afgezet toen duizenden georganiseerde demonstranten het parlement binnendrongen en een einde aan de corruptie eisten. In Kirgizië is aan het vijftienjarige bewind van Akajev een einde gemaakt door een bonte, twintigduizendkoppige menigte, die 's morgens eerst op het Ala-Tooplein in Bisjkek ,,Akajev is een ploert'' scandeerde en vervolgens niet alleen het centrale regeringsgebouw plunderde, maar ook supermarkten, internetcafés, de markthallen, schoonheidssalons en pinautomaten.

Evenzo: de Oekraïeners kwamen in opstand tegen gemanipuleerde verkiezingen die een gunsteling van Moskou als president dreigden te installeren, maar de menigte in Kirgizië demonstreerde niet tegen de ondeugdelijke parlementsverkiezingen van februari en maart. Ze luchtte eerder de frustratie over de barre economische toestand in een land dat voor buitenlandse deviezen voornamelijk is aangewezen op één goudmijn en twee buitenlandse militaire bases, een Russische en een Amerikaanse.

En terwijl de leiders van de oppositie in Georgië en Oekraïne uiting gaven aan het verlangen van het volk naar werkelijke onafhankelijkheid, en een coherent programma nastreefden, zijn de Kirgizische oppositieleiders allemaal voormalige kameraden van Akajev, die met hem gebroken hebben omdat ze meer macht wilden.

Er is dus geen sprake van dat een fluwelen handschoen of weer een revolutie in één of andere kleur Kirgizië vernieuwt. De achterliggende conflicten in Centraal-Azië zijn meer van economische en regionale dan van politieke aard – en ze zullen door de huidige instabiliteit waarschijnlijk eerder erger dan beter worden.

Het zuiden van Kirgizië – dat zich in de greep bevindt van traditionele clanpolitiek, doortrokken is van een welhaast seculiere variant van de islam en zwaar gekleurd wordt door de Oezbeekse minderheid – is de wieg van deze zogenaamde revolutie. Het ergert zich allang aan de overheersing door het meer gerussificeerde, geïndustrialiseerde noorden. Zuiderlingen zijn de afgelopen week bij honderden Bisjkek binnengestroomd om een groter stuk van de karige nationale koek te eisen.

Het is echter niet waarschijnlijk dat de nieuwe leiders veel voor hen zullen doen, want geen van de regionale elites heeft zich ooit veel om het volk bekommerd. De beau monde uit het noorden vliegt van de opbrengst van zijn greep op de industrie naar badplaatsen in Turkije, en de zuidelijke elite bouwt landhuizen van de dollars die ze afroomt van de drugshandel tussen Afghanistan en Moskou. Intussen ligt het modale nationale inkomen onder een dollar per dag, en loopt de werkloosheid in vele regio's tegen de vijftig procent.

De nieuwe tijdelijke president, Koermanbek Bakijev, was Akajevs premier totdat hij in 2002 op aandringen van de bevolking uit zijn ambt werd ontzet nadat overheidstroepen bij een vreedzame demonstratie het vuur hadden geopend op de menigte, waarbij zeker vijf doden vielen.

Veel westerse waarnemers waren blij te horen dat Bakijev Roza Otoenbajeva heeft benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken; zij heeft die post al tweemaal eerder bekleed. Ik deel hun optimisme niet. Otoenbajeva's voornaamste wapenfeit, voordat zij bij de diplomatieke dienst ging, was dat zij hoofd was geweest van de faculteit voor Dialectisch Materialisme aan de Rijksuniversiteit van Kirigizië, een baan die ze had gekregen omdat ze zo'n voortreffelijke dissertatie had geschreven: Kritiek op de weerlegging van de marxistisch-leninistische dialectiek door de Frankfurter Schule.

En zelfs Feliks Koelov, de oppositieleider die vorige week onder luid gejubel van het Westen uit de gevangenis is bevrijd, kan zijn democratische pretenties nauwelijks onderbouwen. Als onderminister van Binnenlandse Zaken in de nadagen van de Sovjet-Unie voerde hij het bevel over troepen die tientallen demonstranten doodden die een politiebureau hadden bestormd. Hij is opnieuw aan het hoofd van de veiligheidstroepen van het land geplaatst.

En niet alleen hebben de leiders van de oppositiepartijen het met elkaar aan de stok, begin deze week kwamen ook twee concurrerende parlementen bijeen op verschillende verdiepingen van hetzelfde gebouw – beide beweerden ze het volk te vertegenwoordigen. Dinsdag is de onenigheid beslist ten gunste van het Akajev welgezinde parlement dat tijdens de recente, omstreden verkiezingen was gekozen.

Terwijl de rijken, de eerzuchtigen worstelen om de macht, proberen de inwoners van Bisjkek er weer bovenop te komen. Zij leggen de schuld van de vernielingen in hun stad bij de zelfbenoemde opstandelingen uit het zuiden, die zij als ongeletterde boeren beschouwen.

Maar weinig mensen in Kirgizië koesteren zich in de gloed van de hoop die Oekraïne in december verwarmde. Een vriend van me in Bisjkek mailde onlangs: ,,Dit is geen democratie. Dit is gewoon een menigte.''

Elinor Burkett is auteur van `So Many Enemies, so Little Time', gebaseerd op haar ervaringen als docent in Kirgizië van 2001 tot 2002.

© New York Times Syndicate