`Ik wil honderd jaar worden'

Naar schatting 20.000 Nederlanders lijden aan een beroepsziekte. Hoe gaan zij daarmee om? Als laatste Jan Koenes (66), isolatielegger.

,,Veertig jaar lang heb ik isolatie gelegd in de scheepsbouw, industrie en ziekenhuizen. Voor de oude isolatie werd vaak asbest gebruikt en bij verwijdering vermengde dat zich met het zand onder de vloer. Onder die vloeren is het erg droog. Als je er dan doorheen kroop, dwarrelde het stof op. Ik kwam allerlei soorten asbest tegen, ook de erg giftige blauwe. De laatste paar jaar hadden we wel bescherming aan, maar in het begin zeker niet. Toen wisten we ook niet dat het gevaarlijk was.

Na een hartoperatie, zo'n tien jaar geleden, begon ik het steeds benauwder te krijgen. Ik belandde in het ziekenhuis, omdat mijn lichaam vocht vasthield. Na een kijkoperatie bleek dat mijn hartzakje opgezet was. Hoe dat was ontstaan, weten ze nog steeds niet. Ik ben na de hartoperatie elk half jaar naar het academisch ziekenhuis in Groningen geweest voor controle. Ik ben op van alles getest, maar ze vonden nooit wat. Tot een jaar geleden. Toen constateerde een dokter uit het Centrum voor Revalidatie, onderdeel van het ziekenhuis, dat ik de longziekte asbestose had. Op foto's zag hij dat er rond mijn longen asbest zat. Eén long doet het inmiddels niet meer.

De laatste tien jaar heb ik enorm gesukkeld. Nu eens had ik last van mijn hart, dan weer van mijn longen. Ik heb ook bronchitis en hartritmestoornissen gehad. Gelukkig heb ik goede afspraken met mijn werkgever kunnen maken. Vanaf de hartoperatie werkte ik op therapeutische basis. Dat betekende dat ik niet meer onder vloeren hoefde te kruipen. Af en toe was ik een paar weken thuis, omdat de benauwdheid dan te erg werd. Maar ik kwam altijd weer terug.

Mijn zoon van 45 jaar, die ook in de isolatie zit, heeft het minder goed getroffen. Die werd er na twee jaar ziektewet gewoon uitgegooid. Hij heeft net als ik last van hartritmestoornissen en is 80 tot 100 procent afgekeurd. Ik kon daarentegen mijn tijd volbrengen en ben met mijn zestigste met pensioen gegaan.

Feit blijft wel dat ik nu niets meer kan. De invalidenparkeerplaats voor mijn deur is soms al te ver. Als ik 's ochtends wakker word, doe ik eerst twintig minuten over aankleden. Daarna ga ik de hele ochtend met onze hond Kelly wandelen in het bos. Daar staan gelukkig bankjes, want ik moet af en toe even zitten. Ik ga ook wel eens vissen. Dan zet ik de auto aan de waterkant en neem ik een stoel mee. Maar mijn grootste hobby, klussen, gaat haast niet meer. Dat wil ik nog wel eens vergeten. Dan denk ik: ooit word ik weer beter en ga ik weer aan de slag. In zo'n bui schaf ik dan nieuw gereedschap aan. Een paar maanden geleden heb ik nog een freesmachine gekocht – hij staat nog steeds in een doos op de schuurzolder.

De dokter zei nadat hij asbestose had geconstateerd: `Je moet het aankaarten bij de vakbond.' Dat heb ik gedaan en via de verzekering van mijn werkgever kreeg ik een schadevergoeding van 20.000 euro. Maar daar heb ik weinig aan, want dat geld gaat allemaal naar onderhoud voor het huis, klussen die ik zonder de asbestose zelf had kunnen én willen doen.

Ik heb het geluk dat bij mij de asbest zit ingekapseld. Op die manier vormt het geen groot gevaar voor mijn gezondheid. Ik ken ook mensen die aan asbestose zijn overleden.

Ik moet wel oppassen voor ontstekingen, want dat vergroot de kans op longkanker. Pijn heb ik niet, ik krijg het alleen snel benauwd. Maar met de revalidatie die ik twee keer per week heb, leer ik beter ademhalen. Ik vind het leven veel te mooi om het nu al te verlaten. Ik ben van plan om minstens honderd jaar te worden!''

Dit is het slot van een serie over beroepsziekten. Vanaf volgende week: dubbelinterviews met ouders en kinderen die hetzelfde beroep uitoefenen.