`Hij kon niet met stokjes eten, dat deed pijn'

De eerste generatie Chinese migranten komt uit haar isolement: dankzij enkele voortrekkers uit de tweede generatie. ,,Het is economie, rechten en informatica wat de klok slaat. Maar maatschappelijk betrokken beroepen, ho maar.''

,,Dat die dames rode koppen krijgen als hij grappen maakt over seks. Alleen maar lachen en hem dan op de schouder slaan. Dat is zó Chinees'', zegt Kin Ping Cheung terwijl hij naar zijn buurman wijst. Hij lacht breeduit. 42 jaar en in zijn tweede jeugd. Enkele jaren geleden heeft hij zijn Chinese wortels herontdekt. ,,Ik ben zo dubbel'', roept hij glunderend. ,,Ik zie er Chinees uit, maar heb Nederlandse vrienden. Die wilde ik vroeger thuis niet ontvangen. Ik leefde in twee werelden. Bij mijn ouders sprak ik geen Chinees. Thuis communiceerde ik slecht. Ik heb bewust gekozen voor het Nederlands.''

Nu is Cheung voorzitter van De Chinese Brug, de grootste Chinese belangenorganisatie in de Haagse regio. Hij spreekt matig Chinees, maar heeft hart voor zijn etnische achtergrond. Vorige week liep hij nog voorop in een optocht van Haagse Chinese ouderen die maatschappelijke bijstand wensen in hun eigen taal. ,,Had je moeten zien, 95 oudjes met een spandoek.'' Hij sprak de Haagse raadscommissie Welzijn toe alsof het zijn eigen familie betrof. En hij raakt onmiddellijk in vervoering als hij over De Brug spreekt. ,,Ah, ik houd van deze mensen hier'', zegt hij breed lachend en gebarend. Om hem heen Chinezen uit alle delen van de wereld: Indonesië, Suriname, Maleisië, Hongkong en China zelf. Er wordt op ruggen geklopt, aan armen getrokken. Veel gegiecheld. Mannen, maar vooral vrouwen, die allen in de afgelopen decennia om de een of andere reden in Nederland zijn beland. Ze spreken Hakka, Mandarijn en Kantonees, sommigen een enkel woordje Nederlands. En ze ontmoeten elkaar geregeld in de kantine van De Chinese Brug, een goed geoutilleerd buurthonk voor etnische Chinezen dat grenst aan Europa's eerste woongroep voor Chinese ouderen, in het centrum van Den Haag.

Met een omweg terug naar zijn verleden. Kin Ping Cheung is niet voor niets de voorzitter van De Chinese Brug geworden. Hij is er vanuit een zeker schuldgevoel beland. En hij heeft een missie. Chinese migranten van de tweede generatie, groot geworden met het idee dat zestig uur werken in de week gewoon is, zouden zich meer om elkaar en hun ouders moeten bekommeren, zegt Cheung. ,,Vind maar eens een Chinees maatschappelijk werker. In heel Nederland zijn dat er drie. Die hele tweede generatie heeft economie, rechten en informatica gestudeerd. Maatschappelijk betrokken beroepen, ho maar.'' Allemaal de schuld van de ouders. ,,Die hebben hun kinderen in die richting geduwd. Ja, en van de overheid natuurlijk. Al die dames moesten toch exact leren denken?'' Het resultaat: een zwaar geïsoleerde eerste generatie migranten, een overwerkte tweede generatie en een zoekende derde.

Zelf is Cheung van huis uit bouwkundige, die net als veel van zijn generatiegenoten weinig behoefte heeft gevoeld veel tijd te besteden met het gezin waar hij opgroeide. Totdat zijn vader overleed.

De Chinese gemeenschap in Nederland telt 72.000 mensen. Iets meer dan achtduizend van hen wonen in Den Haag en omgeving. Het vooroordeel wil dat het een geïsoleerde groep is waar opvallen, je nek uitsteken en opkomen voor je rechten taboe is. Daarin zit een kern van waarheid. Cheung: ,,Mijn moeder vond het niets dat ik dit werk erbij ging doen. `Doe je daar wel verstandig aan jongen, je krijgt een slechte naam', zei ze. Onbekend is onbemind. Nu is ze apetrots.''

Cheung speelt in zeker zin ook een voortrekkersrol. Steeds meer Nederlandse Chinezen zoals hij, kinderen en kleinkinderen van migranten, doen van zich spreken. Zij zijn het isolement definitief voorbij. Zeker nadat de Chinese Nederlanders vorig jaar als laatste grote groepering formeel de minderheidsstatus kregen. ,,Dat verplicht de overheid te luisteren'', zegt Kin, en daar hebben de Chinese Nederlanders behoefte aan. ,,Chinezen zijn niet gewend voor zichzelf op te komen. Daarom zijn wij er voor hen.''

De minst gehoorde groep bestaat uit eerste-generatiemigranten. Een 58-jarige vrouw uit Maleisië is een van hen. Ze spreekt geen Nederlands. Ook zij levert hand- en spandiensten in De Brug. Als 23-jarige belandde ze begin jaren zeventig samen met haar zus in Nederland. ,,Ik had jarenlang gewerkt in de kledingzaak van mijn vader. Ik wilde daar weg. De wijde wereld in. Avonturen beleven.''

Via Frankrijk en België streek ze neer in Nederland. Het bikkelharde restaurantbestaan werd haar deel. Ieder weekeinde naar een ander restaurant in een andere stad, omdat ze niet betaalden of zich niet aan hun afspraken hielden. Van haar Chinese man, die ze in Nederland leerde kennen, scheidde ze binnen een jaar. Hun zoontje, dat voor die tijd werd geboren, stuurde ze bij gebrek aan tijd naar een Nederlands kostgezin. ,,Dat deden veel Chinezen in die tijd. Er moest gewerkt worden.'' Maar in de weekeinden herkende ze haar jongen niet meer terug. ,,Hij verloor zijn Chinees, kon niet met stokjes eten, lustte dit niet en dat niet. Dat deed pijn.''

Nu is haar kind 26. Maar van de moeder-zoonrelatie die zich had gewenst is niets terechtgekomen. ,,Het gaat alleen nog over geld.'' Ze maakt zichzelf een verwijt. ,,Hij lijkt op mij. Zelf heb ik mijn ouders immers ook in de steek gelaten'', zegt ze gelaten. Haar schuldgevoel geeft haar geen rust. En net als stichtingsvoorzitter Cheung heeft ze zich gemeld als vrijwilliger bij De Chinese Brug. Daar biedt ze ouderen nu de zorg die ze haar eigen ouders nooit heeft kunnen geven en die ze van haar zoon niet langer verwacht. ,,Kinderen zorgen niet meer voor hun ouders'', zegt ze. ,,Ze zeggen nu: mama heeft een AOW-uitkering, en daarmee is de kous af. Het is geld verdienen op de eerste plaats, de familie op de tweede plaats. Dat stelt me teleur, maar ik kan het hem niet verwijten.''