Co-president van Bosnië ontslagen

Bosnië-bestuurder Paddy Ashdown heeft gisteren een van de drie co-presidenten van Bosnië, Dragan Čović, ontslagen. Čović, tegen wie een aanklacht wegens corruptie en machtsmisbruik loopt, had eerder geweigerd in te gaan op oproepen om af te treden. Die oproepen waren gedaan door Ashdown, de Europese Unie en de VS.

In een verklaring liet Ashdown – die op grond van het Dayton-akkoord van 1995 het recht heeft Bosnische functionarissen te ontslaan – gisteren weten dat hij Čović ,,met onmiddellijke ingang'' had afgezet. Hij stelde dat het ontslag hem speet, omdat Čović in het staatspresidium ,,goed werk'' heeft gedaan. Ashdown noemde de situatie ,,de moeilijkste'' in zijn tijd als Bosnië-bestuurder.

Čović heeft volgens het Bosnische Hooggerechtshof tussen 2000 en 2003, toen hij minister van Financiën was van de moslim-Kroatische federatie, zakenpartners op illegale wijze gesteund. Hij moet binnenkort voor de rechter verschijnen om zich te verantwoorden voor corruptie, belastingontduiking en machtsmisbruik. Hij heeft steeds verklaard pas te willen aftreden als zijn schuld is aangetoond. Een gewone burger, aldus Čović, wordt pas gestraft als hij schuldig is bevonden. Ashdown redeneerde evenwel dat de co-president ,,geen gewone burger'' is.

Čović zou later dit jaar voorzitter van het Bosnische staatspresidium en dus formeel staatshoofd worden. Bosnië heeft een collectief presidentschap, van een vertegenwoordiger van de moslims, een van de Bosnische Serviërs en een van de Bosnische Kroaten. Het voorzitterschap rouleert.

In Kroatië is steun geuit voor het ontslag, al werd wel aangetekend dat er ,,een zichtbare tendens'' is om ,,democratisch gekozen vertegenwoordigers van de Bosnische Kroaten te ontslaan''. De partij waarvan Čović bestuurslid is, de Kroatische Democratische Gemeenschap HDZ, had gedreigd zich uit de regeringscoalitie in Bosnië terug te trekken, maar zag daar gisteren alsnog van af.

De Bosnische minister van Transport en Telecommunicatie, de Bosnische Serviër Branko Dokić, is gisteren in staat van beschuldiging gesteld wegens machtsmisbruik en corruptie. Hij zou zich daaraan schuldig hebben gemaakt toen hij tussen 2001 en 2003 minister was in de Servische Republiek, naast de federatie de tweede territoriale entiteit van Bosnië.