Vechten om een kind bij de moeder weg te houden

De pleegouders van een ernstig verwaarloosde jongen willen voorkomen dat de moeder hem kan opeisen. De kinderrechters steunen hen. Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming verzetten zich.

Fantastisch, zegt Bert Lipper, dat minister Donner het belang van kinderen in de jeugdzorg centraal wil stellen. En fantastisch dat kinderrechters ook vinden dat dat moet. Maar hij weet uit bittere ervaring hoeveel moeite het kost om te voorkomen dat een verwaarloosd kind weer teruggaat naar de moeder. Hij kreeg Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming tegen zich.

Bert Lipper en zijn vrouw zijn pleegouders van een jongen met een ernstige hechtingsstoornis. Het kind is nu zevenenhalf. Hij kwam voor het eerst bij zijn pleegouders toen hij anderhalf was. Die vertelden een jaar geleden in deze krant ook over hun pleegzoon. Bert Lipper vertelt nu hoe het verder ging. Hij wil zo reageren op wat Donner en kinderrechters zeggen over de dood van Savanna.

De jongen werd geboren toen zijn moeder 15 was – een verwaarloosd en mishandeld meisje. Zijn vader was 17. Eerst woonde het jongetje met zijn moeder boven het café van zijn oma, toen met zijn moeder bij zijn vader, toen bij de vader van zijn vader, toen weer bij zijn oma, en uiteindelijk, met zijn moeder, in een opvanghuis. Maar daar moesten ze weer weg, want zijn moeder gebruikte harddrugs.

Het jongetje is ruim anderhalf als hij door Jeugdzorg bij zijn pleegouders wordt gebracht — eerst alleen in de weekends, later alle dagen. Voordat de pleegouders het jongetje bij zich krijgen, wordt hun gezegd dat het om een goed gehecht kind gaat. Maar het jongetje schopt en slaat, hij moet soms met gestrekte armen worden opgepakt om te voorkomen dat hij bijt.

De pleegouders hebben de opdracht om de moeder én het kind te steunen. Bert Lipper: ,,De voogd zei steeds: éérst de moeder, zíj moet de kans krijgen om de relatie met haar kind te herstellen.'' Maar als het jongetje bij haar is geweest, is hij niet te hanteren. Na een tijdje begint hij zichzelf te bijten. Hij is ontroostbaar als hij verdrietig is.

Als hij drie is, stelt de kinderpsychiater de hechtingsstoornis bij hem vast, en een depressie. Ze raadt aan om alles in het werk te stellen om het jongetje zich te laten hechten aan zijn pleegouders. Anderhalf jaar later zegt de kinderpsychiater dat nog een keer. Het jongetje gaat naar school, maar daar geeft hij ook problemen: slecht luisteren, chaotisch gedrag, andere kinderen pijn doen, geen berouw. Hij ziet zijn moeder nog maar een paar keer per jaar. Daarna is hij wekenlang niet te hanteren.

En dan, als het jongetje vijf is, wil zijn moeder hem terughebben. Ze is bijna 20, ze woont samen, en ze is erachter gekomen dat ze op haar achttiende het gezag over haar zoon had moeten krijgen. Het kantongerecht dat haar zaak behandelt, begin 2002, vraagt de Raad voor de Kinderbescherming in Groningen om advies.

En die zegt, een paar maanden later, dat het gezag naar de moeder moet. Niet omdat het beter voor het jongetje is, maar omdat het zo in de wet staat. Letterlijk: ,,Het uitgangspunt bij het raadsonderzoek is dat het gezag bij de ouders hoort te liggen.'' Het was een vergissing om de moeder niet op haar rechten te wijzen toen ze 18 werd. Die vergissing moet nu worden hersteld. Wat goed voor het jongetje is doet er niet toe. ,,Het perspectief en behandeling van (...) is in het kader van dit onderzoek niet zozeer het onderwerp van onderzoek geweest.''

Later bevestigt de directeur van de Raad voor de Bescherming in deze krant dat dit advies was gegeven omdat er een ,,procedurele fout'' was gemaakt. ,,De raad adviseert altijd in moeilijke omstandigheden. Er is altijd een partij die benadeeld wordt, en dat zijn vaak de ouders. Daarom is bij ons de gehechtheid aan procedures groot.''

Bert Lipper wordt nog kwaad als hij eraan terugdenkt. Hij en zijn vrouw zorgden al vier jaar voor het kind. Maar ze werden niet als belanghebbenden behandeld. En het belang van hun pleegkind deed er blijkbaar ook niet toe. Ze besloten om ook naar de rechter te gaan. Ze wilden niet dat het kind elk moment door zijn moeder kon worden weggehaald.

Op 17 juni 2003 zegt de rechtbank dat de moeder het gezag over het jongetje níet krijgt. En in februari 2004 wordt dat vonnis bekrachtigd door het hof in Leewarden. De rechters vinden dat het jongetje zich aan zijn pleegouders moet kunnen blijven hechten. En de pleegouders moeten zich ook aan hém kunnen hechten. Als de moeder haar kind zou opeisen, zou alles wat met veel moeite is opgebouwd weer teniet worden gedaan. Zo staat het in het vonnis.

Bert Lipper: ,,Meteen na de uitspraak dwong het management van Jeugdzorg de voogd om een nieuwe bezoekregeling met de moeder te treffen. Niet meer een paar keer per jaar, bij ons thuis. Maar elke maand een weekend, bij haar thuis.'' Hij heeft niets tegen de moeder, zegt hij. Maar dit was precies wat niet moest gebeuren bij een kind met een hechtingsstoornis.

Hij zegt ook dat ze al die jaren geen enkel teken van begrip hebben gekregen – niet van de Raad voor de Kinderbescherming, niet van Jeugdzorg. ,,Wij zijn de tegenstanders. Waarom? We proberen te voorkomen dat een kind wordt opgeofferd en helemaal gaat ontsporen. Dat is toch in het belang van de samenleving?'' Jeugdzorg wil Bert Lipper en zijn vrouw niet helpen met het aanschrijven van fondsen voor steun in de proceskosten.

De moeder wil haar kind nu niet meer zien, ze is boos op Jeugdzorg. Ze is wel tegen het vonnis van het hof in Leeuwarden in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. De zaak moet nog dienen. Met de jongen gaat het naar omstandigheden goed. Hij krijgt speltherapie en medicijnen. Hij kan nog steeds naar een gewone basisschool. Bert Lipper: ,,Hij wordt minder vijandig, hij kan kort zelfstandig spelen. Hij heeft nu soms plezier.''