Twee soorten religiekritiek

Een paaswandeling door de woeste veengronden van de Peel, langs ondoordringbare moerassen en vriendelijke weidevelden vol lammetjes bracht me voor het eerst van mijn leven in Uden. De Brabantse provincieplaats maakt een welvarende en saaie indruk. Tussen de uniforme nieuwbouw, de geijkte winkelpromenades, moderne openbare voorzieningen (zwembad, bibliotheek) valt alleen de neo-romaanse koepel van de Sint Petruskerk op.

De volgende dag was Uden in het nieuws. Opnieuw was er een poging tot brandstichting geweest in een islamitische basisschool. Begint in Uden de nieuwe godsdienstoorlog? Dat is moeilijk te geloven. Ik denk niet dat daar godsdiensten tegenover elkaar staan (dat was 350 jaar geleden, toen Uden een vluchtheuvel vormde voor door de protestanten vervolgde kloosterorden). En ik betwijfel of de daders godsdienstige motieven hadden. Vermoedelijk denken zij in termen van etniciteit, nationaliteit, groepsgebruiken en zelfbevestiging, van `Nederlanders' tegen `Marokkanen' of eventueel `buitenlanders'.

Ook de kiezers op wie bijvoorbeeld Wilders mikt, die ongetwijfeld in overgrote meerderheid etnisch geweld verfoeien, maken zich volgens mij meer te sappel over `die buitenlanders' dan over de islam. Hetgeen Wilders, zoals Fortuyn vóór hem, er niet van weerhoudt zijn agitatie te richten op de gevaren van de islam. In het politieke debat is islam synoniem geworden voor vreemdelingen. Gevolg: de brandstichters in Uden vermomden hun vreemdelingenhaat als symbolische religiekritiek door de islamitische school als doelwit te kiezen.

Mij lijkt de terminologische verschuiving van xenofobie naar godsdienstkritiek niet van gevaar ontbloot. De discussie over integratie van minderheden wordt erdoor vertroebeld en wel zodanig dat het wapen van de kritiek in handen van lieden die tot brandstichting bereid zijn, kan veranderen in de kritiek van de wapens.

Moet men, dit gevaar erkennend, dan maar angstvallig proberen de islam buiten de discussie te laten of te vrijwaren van kritiek? Onmogelijk, zolang Mohammed B. en Samir A. meer vertegenwoordigen dan zichzelf. Onmogelijk, zolang uit naam van de islam een tegenstelling tussen de islamitische en de westerse wereld wordt verkondigd die terrorisme rechtvaardigt. Bovenal: onmogelijk zolang een groot deel van de islamitische gelovigen in Nederland zich tegenover de samenleving primair als moslim definieert.

In dit verband is het leerzaam de analyse die Karl Marx in 1844 ten beste gaf van `het joodse vraagstuk' te parafraseren. ,,De emancipatie van de moslim wordt belemmerd door de moslim die zich tegenover de samenleving als vreemdeling opstelt, tegenover zijn werkelijke nationaliteit een hersenschimmige natie van God stelt en tegenover de werkelijke wet zijn illusoire wet stelt, doordat hij zich gerechtigd waant tot afzondering van de mensheid, doordat hij principieel niet deelneemt aan de historische beweging, doordat hij wacht op een toekomst die niets gemeen heeft met de algemene toekomst van de mens.'' (In plaats van moslim schreef Marx jood).

Emancipatie van de joden vereiste volgens Marx dat de joden zich emancipeerden (bevrijdden) van het jodendom zoals emancipatie van de mens vereist dat de mens zich van de godsdienst bevrijdt. En zo vindt Leon de Winter dat de moslims zich moeten bevrijden van de islam.

Dat heeft hij op een voor zijn doen rustige toon beargumenteerd in een open brief aan Geert Mak (NRC Handelsblad, 19 maart). Daarin uitte hij zijn bezorgdheid ,,over het ontstaan van een religieus en etnisch gekleurde onderklasse waarin jonge moslims geweldsfantasieën ontwikkelen die in een tijdperk van toegankelijke massavernietigingswapens rampzalige gevolgen kunnen hebben.'' Onder verwijzing naar de in islamitische immigrantenculturen over het algemeen behoudende geloofspatronen, stelde De Winter de vraag ,,of de traditionele wijze waarop veel moslims hun geloof vormgeven doorklinkt in, bij voorbeeld, de manier waarop in hun vroege jeugd jongens van meisjes worden gescheiden, de manier waarop huwelijken tot stand komen, de manier waarop zij hun eerste seksuele ervaringen opdoen, de manier waarop een zwakke economische positie in een samenleving van welvarende christenen en ongelovigen wordt ervaren.''

Zo maakt De Winter, voor mij overtuigend, duidelijk dat religiekritiek noodzakelijk en onvermijdelijk is, hoe gevaarlijk ik de `Udense variant' daarvan ook vind. Het is verre van me, De Winter daarmee te associëren.

Waar ik wel beducht voor ben, is dat hij met zijn islamkritiek in dezelfde fout vervalt als Marx in de 19de eeuw. ,,De starste vorm van de tegenstelling is de religieuze tegenstelling'', schreef deze, ,,en hoe los je een tegenstelling op? Door haar onmogelijk te maken. Hoe maakt men een religieuze tegenstelling onmogelijk? Door de religie op te heffen.'' Aanhangers van diverse geloven moesten wat hem betreft hun wederkerige godsdiensten nog slechts zien als verschillende ontwikkelingstrappen van de menselijke geest. De geschiedenis zou die verschillen als slangenhuiden afwerpen. Eerst kwam door middel van de geseculariseerde staat een politieke emancipatie van de godsdienst tot stand. De echte emancipatie moest dan nog komen: na de vrijheid van religie te hebben verworven, zou de mens zich van de religie bevrijden.

Niet dus. Godsdienst laat zich opheffen noch uitroeien. Je kunt wel tegen moslims zeggen: jullie moeten je van de islam bevrijden, moderne mensen zijnde, jullie moeten niet, zoals De Winter stelt, monomaan blijven ronddraaien in verouderde ideeën en waarden, ,,zoals de bedevaartgangers tijdens de hadj in verheven aanbidding in cirkels rond een zwarte steen lopen''. Maar die religiekritiek helpt niet. Voor moslims betekent hun geloof namelijk iets anders: devote toewijding en broederschap. In dezelfde trant kun je tegen rooms-katholieken zeggen: jullie geloven in de onfeilbaarheid van een zieke oude man in een jurk, hoe kunnen jullie ooit democraten zijn? Maar zij zullen terugzeggen: God is liefde.

Men kan in een democratische samenleving niet méér vragen dan vrijheid van godsdienst én van godsdienstkritiek. Je moet de moslims niet willen bevrijden van de islam, maar de islam helpen bevrijden van politiek extremisme en misstanden. De staat heeft in dezen twee taken. Ten eerste voorkomen dat gelovigen zich boven de wet plaatsen met een beroep op de superioriteit van hun geloof of op de traditie en ten tweede verhinderen dat hun kerken, moskeeën of scholen in brand worden gestoken omdat zij anders of `achterlijk' zouden zijn.