Het progressieve tijdperk is voorbij

Nu D66 haar doel van bestuurlijke vernieuwing laat varen, is de politieke restauratie na Fortuyn een feit, meent Henri Beunders.

`Als twee crises zich kruisen, dan vreet de sterkere zich door de zwakkere heen''. Dat schreef de conservatieve cultuurhistoricus Jacob Burckhardt zo'n 135 jaar geleden in zijn onvolprezen essay Die geschichtlichen Krisen.Natuurlijk, in het drama van Thom de Graafs nederlaag vallen op het eerste gezicht de shakespeariaanse elementen op: persoonlijke angst en afkeer, wrok en wraak, haat en verraad. Verraad uit eigen kring, maar ook vanuit de andere voormalig paarse partijen, VVD en PvdA. Maar historisch gezien is de kern van de zaak toch deze. De gênante vertoning in de Eerste Kamer was een glashelder bal démasqué van een tijdperk dat voorbij is: het `progressieve' tijdperk.

De angst van de oud-paarse politici voor de `volkse gevolgen' van de door hen geproclameerde politieke én culturele `moderniteit' bleek groter dan hun eigen progressieve zelfbeeld. Zo geldt voor hen het oude adagium: niets conservatiever dan een bekeerde rebel.

Immers, toen Pim Fortuyn die algemene maar vrijblijvende `moderniteit' in een nieuw politiek jasje wilde gieten – echte politieke inspraak van de burger, én nationale wedergeboorte – was de paniek groot. Hij haalde hen links én rechts in. Hoe groot die paniek was, blijkt nu. D66 is bereid haar eerstgeboorterecht van bestuurlijke vernieuwing voor het hele volk in te ruilen voor een bord linzensoep voor haar eigen aanhang: de nationale elite van docenten en studenten.

De twee kansen die D66 heeft gehad, heeft ze laten lopen. In 1994, toen Van Mierlo liever minister van Buitenlandse Zaken wilde worden. En in 2002, toen men samen met de Lijst Pim Fortuyn en de druk van `het opstandige volk' de in het regeerakkoord opgenomen directe democratie had kunnen doordrukken.

Het is waar, in 2002 stemde 84 procent van de kiezers niét op Pim Fortuyn. Politiek gesproken was er dus geen sprake van `een blinde coalitie van allen die het anders willen hebben' zonder welke het überhaupt niet mogelijk is om ,,een oude toestand uit zijn hengsels te lichten'' (Burkhardt). Maar aangezien het meer de zwakte van de verdedigers is dan de kracht van de aanvallers die de uitslag van een gevecht bepaalt, was toen een minderheid voldoende geweest om ons land aan een vorm van direct gekozen bestuurders te helpen.

Het tegenovergestelde gebeurde. De `opstand der burgers' leidde tot acute culturele bekrompenheid en paniek. Thom de Graaf vergeleek Fortuyn via Anne Frank liever met Hitler. Die paniek ebde snel weg na de moord op Fortuyn, een schok voor velen maar voor sommigen ook een opluchting. In diverse oudejaarsbeschouwingen over 2002 werd tevreden geconcludeerd dat `de Leefbaren' dood en begraven waren, en dat het jaar van het `politieke carnaval' voorbij was. Dat was voorbarig. De conservatieve kramp bleek blijvend. De drie paarse partijen raakten politiek tot op het bot gespleten door die meteorietinslag van 2002. Hoe ver moesten ze die boze kiezers tegemoet komen, zonder voor `populistisch' uitgemaakt te worden, of de regie te verliezen? De conservatieve krachten zijn het sterkste gebleken.

Zoals zo vaak met crises het geval is, vreet de revolutie niet alleen haar eigen kinderen op (LPF), maar valt de macht ook niet toe aan imitators en epigonen (zoals Wouter Bos), maar aan de mensen die in de coulissen staan. Burkhardt: ,,Iets wat doodmoe is, valt zonder uitzondering het sterkere in de armen, dat toevallig in de nabijheid is. En dit zullen niet nieuw gekozenen of gematigde vergaderingen zijn, maar soldaten.'' In de Nederlandse context waren en zijn dat de `soldaten van de geest', de CDA-ers. Zij beschikten niet alleen over voldoende geldingsdrang (na acht jaar vernedering door Paars), maar ook over voldoende mate van coherent christelijk-conservatief denken.

De woede en frustratie van links richtten zich op premier Balkenende zelf (via satire-tv), én op de aanstichter van alles, de LPF. En die partij was na de moord op haar leider een gemakkelijke prooi om te vernietigen. Maar die vernietigingswoede was – zo bleek vorige week – ook het gevolg van de onverwachte fall out van de Fortuyn-inslag: een identiteitscrisis bij de gefrustreerden zelf. Die crisis is vooral een sociale en culturele crisis: zijn we nog progressief of zijn we conservatief geworden? Het laatste natuurlijk. Thom de Graafs afgang bezegelt de ondergang van de '68-revolutie, die overigens ook meer cultureel dan politiek van aard was.

De schok dat de Nederlandse cultuur veel populairder, commerciëler en `onredelijker' is geworden dan de `fatsoenlijke revolutionairen' van weleer voor ogen stond, werd na 2002 in veler ogen keer op keer bevestigd. De Fortuyn-schok te boven, raakte het `weldenkende deel der natie' meermalen in rep en roer als gevolg van zijn blijvende zelfingenomen naïveteit: door de moslimmoord op Theo van Gogh, door het tv-succes van `De Tokkies' en de verkiezing van Pim Fortuyn tot `grootste Nederlander'.

Plotseling brak van alle kanten een bombardement los van pogingen om het volk opnieuw sociaal en cultureel te disciplineren. Minister Donner met strengere straffen. De voormalig progressieve elite met historische en literaire canons, met pogingen een Huis der Geschiedenis op te richten. En met de roep allerwege tot bezinning en nuchterheid. Wat zei PvdA-er Felix Rottenberg, die voormalige zelfbenoemde Napoleon van de politieke vernieuwing, zondag in Buitenhof? Dat in Nederland twee woorden onmisbaar zijn: `consensus' en `draagvlak'. De trefwoorden van het CDA dus. Het kan verkeren.

In 1848 werd, zoals de canon wil, koning Willem II onder druk van dreigende opstand in één nacht van conservatief tot liberaal. In de nacht van Van Thijn is progressief Nederland in één nacht van progressief tot openlijk conservatief geworden. Hiermee is nagenoeg heel Nederland één partitocratie van behoudzucht geworden.

Maar zal de reactie ook in culturele zin slagen? Zal het `volk der Tokkies' in een nieuw beschavingsoffensief onder leiding van benoemde functionarissen weer een weldenkende, redelijke, canon-minnende natie worden? Wie dit gelooft, gelooft alles. Die miskent de structurele krachten van de amerikanisering van de Nederlandse maatschappij. Tegenover deze krachten betekenen `De Nacht van Wiegel' en `De Nacht van Van Thijn' niet meer dan strohalmenwerk.

Want zelfs als spoedig een Paars III zou komen, dan zal dit een moreel en cultureel conservatief stempel dragen. De progressieve en liberale neo-conservatieven zullen er alleen wat gesteggel over de hoogte van de ziekenfondspremie aan toe kunnen voegen.

Wegens gebrek aan duidelijke visie op moraliteit en solidariteit in het tijdperk na de babyboom-generatie zal die gedroomde weldenkende, vrijzinnige redelijkheid dus niet terugkeren. In politieke zin zullen God, Geld & Gebod gaan regeren over Nederland. In de economie zullen de CEO's regeren. En in de cultuur John de Mol. En gaan de mensen hun eigen weg, nog liever op zichzelf of wat voor pseudo-religieuze oplevingen ook, vertrouwend, dan op politieke partijen.

De cultuur bepaalt de politiek. En aangezien `het volk' meestentijds redelijker is dan gedacht wordt, was de amerikanisering van onze samenleving met meer inspraak van de burgers misschien wel beter in goede banen geleid dan met de regentenpolitiek van nu.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.