Geen experimenten bij advocaten

Een verbod op no cure no pay in de advocatuur is niet in strijd met het mededingingsrecht, meent J.P.H. Donner, die hierover morgen met de Kamer debatteert.

De regering heeft besloten een proef met no cure no pay in de advocatuur te verbieden. Niet omdat de regering te weinig respect heeft voor de onafhankelijkheid van de advocatuur, zoals de commentaarschrijver in deze krant van 9 maart stelde, maar omdat zij verantwoordelijk is voor de inrichting van ons rechtsbestel en van oordeel is dat het experiment van de advocatuur daarvoor op termijn ernstige consequenties zou hebben.

Van het begin af aan was duidelijk dat na afloop van het experiment een eventuele terugkeer naar de huidige situatie niet meer mogelijk zou zijn, alleen al om mededingingsrechtelijke redenen. Voor alle balies in Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië, Ierland en Griekenland) geldt als een wezenlijk principe een verbod op no cure no pay.

In Nederland wordt wel gezegd dat dit strijdig is met het mededingingsrecht, maar dat is onjuist. Het Luxemburgse Hof van Justitie acht dit soort beperkingen gerechtvaardigd als zij behoren tot de wezenlijke kenmerken van de desbetreffende beroepsgroep. In bijna alle Europese landen is dat dus het geval. Maar het is evident dat het oordeel van de rechter heel anders zal uitvallen als de Nederlandse advocatuur eerst uit eigen beweging met no cure no pay heeft `geëxperimenteerd'. Daarna valt immers niet meer vol te houden dat (terugkeer naar) een no cure no pay-verbod een wezenlijk kenmerk van onze advocatuur is. Met andere woorden, het experiment van de advocatuur zou een onomkeerbare situatie creëren en dus nu al een fundamentele koerswijziging hebben betekend.

Wie experimenteert met een principe geeft nu eenmaal het principe zelf terstond al prijs. Omdat de regering zich zorgen maakte over de feitelijke gevolgen van deze koerswijziging, had zij dus geen andere keus dan nu in te grijpen.

Blijkens het vernietigingsbesluit is de regering van oordeel dat een goede beroepsuitoefening van de advocaat niet samen gaat met no cure no pay. Dat blijkt uit de bijzondere positie die in ons bestel aan de advocaat is toegekend.

De advocaat heeft rechten, zoals procesmonopolie en verschoningsrecht, maar ook verplichtingen. Belangrijkste daarvan is dat hij zich onder alle omstandigheden onafhankelijk ten opzichte van de zaak moet kunnen opstellen. Hij moet tegenover rechtzoekenden garant staan voor integriteit en onafhankelijk advies; dat kan alleen als hij zelf geen (financiële) belangen bij de zaak van de cliënt heeft. De advocaat is verplicht om elk risico van belangenconflicten – dus ook financieel – te vermijden. Hij mag initiatieven in een zaak uitsluitend nemen in het belang van zijn cliënt. Dit alles zou ernstig in gevaar worden gebracht als de advocaat via een no cure no pay-afspraak feitelijk alle risico's van zijn cliënt overneemt en zelf partij in de zaak wordt.

Dat wil niet zeggen dat in letselschadezaken geen verbeteringen denkbaar zijn. Er zijn rechtzoekenden die minder draagkrachtig zijn en problemen ondervinden vanwege de kosten voor inschakeling van medische deskundigen. Maar die zijn beter af met praktische oplossingen zoals een voorschotregeling voor deskundigenberichten of een vergoeding voor een medisch quick-scan onderzoek, dat snel duidelijkheid geeft over de kansen in een letselschadezaak.

Verder waren mijn ministerie, slachtofferorganisaties, verzekeraars en advocatuur al lang in overleg over initiatieven om de afwikkeling van letselschadezaken te verbeteren. Voorbeelden daarvan zijn de oprichting van het Nationaal Platform Personenschade (NPP) en de wetgeving inzake affectieschade, de collectieve afwikkeling van massaschade en de versterkte positie van het slachtoffer in het verzekeringsrecht.

Kortom, praktische problemen als de afhandeling van letselschade vergen praktische oplossingen en geen principiële ommezwaai als het toestaan van no cure no pay.

In een land als de Verenigde Staten is dat systeem zeer in zwang en kunnen we een indruk krijgen van de gevolgen die dit op de langere termijn oproept. Over alles kan daar worden geprocedeerd. De rechtspraak is overbelast. De maatschappelijke kosten zijn hoog. De prijs van een product bestaat voor een onevenredig deel uit verzekeringspremies. Veel zaken zijn niet of nauwelijks meer te verzekeren. Artsen weigeren vaak hulp uit angst voor schadeclaims. Wegens die hoge maatschappelijke kosten proberen opeenvolgende Amerikaanse regeringen no cure no pay terug te dringen, tot nu toe zonder succes. Waarom zouden wij dan die kant opgaan, laat staan onder de dekmantel van experiment?

J.P.H. Donner is minister van Justitie.