Ex-minister De Graaf ontloopt de Bijlhout-regeling... ... terwijl Rijpstra extra vangt... ...en ook Euro's geldzorgen hebben

Als de afgetreden minister Thom de Graaf de komende twee jaar thuis blijft zitten, krijgt hij daarvoor in het eerste jaar 94.947,99 euro en het jaar erop 83.079,49 euro. Dat is de versoberde wachtgeldregeling waarop de D66'er aanspraak kan maken. Die versobering dateert van november 2002, toen het eerste kabinet-Balkenende werd geformeerd. Op de dag van de formatie brak Philomena Bijlhout in de categorie `bewindspersonen' en in de discipline `staatssecretarissen' het record voor de kortst zittende: acht uur. Maar die acht uren waren genoeg om de 17.520 daar op volgende uren in betrekkelijke welstand te kunnen leven. Bijlhout kreeg recht op twee jaar wachtgeld, eerst 80 en daarna 70 procent van een staatssecretarissensalaris.

Dit was voor de huidige minister van Binnenlandse Zaken Remkes (schoon aan de haak 118.684,99 euro) reden de wachtgeldregeling voor bewindspersonen te wijzigen. Wie korter dan drie maanden op het regeringspluche heeft gezeten, krijgt nog maar zes maanden wachtgeld à 80 procent van de laatstgenoten bezoldiging. Wie tussen de drie maanden en drie jaar deel uitmaakte van het kabinet, krijgt twee jaar wachtgeld en daarna loopt het één op één met een maximum van zes jaar wachtgeld. Wie voor de financiën de politiek in gaat, stopt dus na zes jaar. Overigens worden alle inkomsten in een wachtgeldperiode in mindering gebracht op de wachtgelduitkering.

Voor Thom de Graaf geldt dat na zijn wachtgeldperiode van twee jaar als ex-minister, hij nog tot mei 2009 recht heeft op zo'n 60.000 euro per jaar. Dat is het wachtgeld waarop hij als lang-zittend (9 jaar) Tweede-Kamerlid recht heeft. De regeling van de volksvertegenwoordiging is vrijwel een kopie van die voor bewindslieden. Vrijwel, want er is één verschil. En één Kamerlid van de VVD gaat van dat verschil gebruik maken.

Maximaal kan een oud-Kamerlid zes jaar lang wachtgeld krijgen, tenzij hij of zij op het moment van aftreden de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij of zij, zo luidt de regel ,,in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren kamerlid is geweest''. In dat geval krijgt het oud-Kamerlid wachtgeld tot de dag waarop hij of zij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Op 15 juli aanstaande, midden in het zomerreces, ziet het Kamerlid voor de VVD, Jan Rijpstra, Abraham. Op 2 maart werd bekend gemaakt dat hij 22 april ,,zijn Kamerzetel zal verruilen voor de burgemeesterszetel in de Drentse gemeente Tynaarlo''. Tynaarlo heeft ruim 30.000 inwoners en is een samenvoeging van onder meer Eelde, Zuidlaren en Paterswolde.

Rijpstra voldoet aan de tien-jaar-in-twaalf-jaar-eis. Hij kwam op dezelfde dag als Thom de Graaf in de Tweede Kamer: 17 april 1994. Als hij half april eerste burger van Tynaarlo wordt, heeft hij er dus elf jaar als Kamerlid opzitten. Maar half april is net drie maanden te vroeg om aan de andere eis te voldoen, die van minimaal 50 jaar oud zijn als je de Kamer verlaat. De exacte afzwaaidatum is nog niet bekend. ,,Ergens in de zomer'', zegt Rijpstra's medewerker. ,,Naar mijn beste weten volg ik Rijpstra na het zomerreces op'', zegt Rijpstra's opvolger Anton van Schijndel. Deze Amsterdamse jurist maakte naam doordat hij als nummer 40 op de VVD-lijst bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen, zo'n dertigduizend euro uit eigen zak betaalde om met de benodigde 16.000 voorkeursstemmen in de Kamer te komen. Het werden er 13.000 en Van Schijndel zit in de wachtkamer totdat op 1 september het volgende politieke seizoen weer begint. Dan is Jan Rijpstra alweer vijftig jaar en 7 weken oud.

Voor een politicus komt het moment altijd ongelegen waarop zijn verdiensten aan de orde worden gesteld. Neem de brief die een aantal Nederlandse europarlementariërs onder leiding van `deken' Hans Blokland eind vorige maand aan Tweede-Kamervoorzitter Frans Weisglas schreef. Een brief waarin zij hun ongenoegen uitten over de zogeheten Nederlandse `kortingsregeling' die al sinds 1997 op hun salaris wordt toegepast. De briefschrijvers willen niet langer dat de Nederlandse overheid jaarlijks 12.000 euro op hun inkomen in mindering brengt. Een korting die wordt gemotiveerd omdat zij als leden van het Europees Parlement over een riante onkostenregeling zouden beschikken.

Het verzoek deed in Den Haag nogal wat wenkbrauwen fronsen. Want behalve bij het grote publiek bestaat ook bij collega-politici aan het Binnenhof maar weinig mededogen voor de inkomenspositie van de Nederlandse europarlementariërs. Maar juist dat zit de Europese volksvertegenwoordigers weer dwars. Ze zijn het spuugzat altijd maar weer neergezet te worden als Europese `jetset' die zich onder het lawaai van knallende champagnekurken laat vliegen van het ene naar het andere vergaderoord.

Als bewijs van goed gedrag wordt dan maar weer eens gewezen op de gedragscode die de Nederlandse leden van het Europees Parlement met elkaar zijn overeengekomen. Daarin beloven zij alleen werkelijk gemaakte reiskosten te declareren, de vergoeding voor algemene uitgaven alleen te besteden aan de ondersteuning van hun parlementaire werkzaamheden en de vergoeding voor parlementaire medewerkers ook uitsluitend voor dat doel te gebruiken.

Anders gezegd: ze houden helemaal niets over aan de vaste onkostenvergoedingen die alle 732 europarlementariers krijgen. Vandaar ook dat ze af willen van de korting van 12.000 euro op hun vaste inkomen. Een inkomen dat hetzelfde is als dat van een Nederlandse volksvertegenwoordiger. Maar in Den Haag wordt fijntjes gewezen op de vergoeding van 268 euro die europarlementariërs naast hun gewone inkomen per vergaderdag krijgen overgemaakt op voorwaarde dat ze de presentielijst tekenen. Is dat soms geen extra inkomen? Nee, briesen de europarlementariërs (althans de heetgebakerden onder hen), dat gaat volledig op aan de verblijfskosten die wij maken doordat we door de week in Brussel of Straatsburg moeten zijn. Hotels en maaltijden dus.

Inmiddels wordt de bal teruggekaatst. Want, zo wil een enkele europarlementariër wel off the record kwijt: Hoe zit het eigenlijk met die reis- en vaste onkostenvergoeding voor de leden van de Tweede Kamer? Is die niet erg ruim bemeten voor parlementariërs die per jaar vijftien van de 52 weken reces hebben?

De Tweede Kamer houdt deze week vermoedelijk een spoeddebat over het akkoord dat de coalitiefracties afgelopen weekeinde bereikten na het opstappen van De Graaf. Verder bespreekt de Kamer de financiën rondom de Joint Strike Fighter en de evaluatie van de AIVD.