`Een opera vol kitsch, banaliteit en necrofilie'

Patriottische jongeren protesteerden vorige week in Moskou tegen vertoning van de vermeend pornografische opera `De kinderen van Rosenthal'. De Doema stelt een onderzoek in.

Betere reclame had het verstarde Bolsjoj Theater zich niet kunnen wensen. Wekenlang rook het naar schandaal rondom de première van de opera De kinderen van Rosenthal van componist Leonid Desjatnikov en librettist Vladimir Sorokin. Aanhangers van de Poetin-gezinde patriottische jeugdbeweging Idoesjtsjije vmeste (Samen op weg) demonstreerden bij het theater tegen de ontheiliging van het Bolsjoj door de `pornograaf' Sorokin. Zij eisten ingrijpen door het parlement. Aan stukken gescheurde exemplaren van zijn scabreuze boek Blauw spek werden symbolisch, maar weinig fijnzinnig door een voor het theater opgestelde wc-pot gespoeld.

En de Doema, het Russische parlement, had kennelijk even niets beters te doen dan zich op te winden over deze `pr-stunt' van het met belastingcenten gesubsidieerde instituut. Verbieden wilde een aantal patriottische parlementsleden niets – alles wat naar censuur ruikt doet immers te veel denken aan de vermaledijde sovjet-tijden – maar Sorokin moest zijn smakeloze werk maar op een minder prestigieuze plaats aan het publiek tonen. De Doema nam onverwijld een resolutie aan waarin het comité voor cultuur gevraagd werd te onderzoeken of de opera wel `moreel acceptabel' is. Directeur Anatoli Iksanov van het Bolsjoj Theater reageerde laconiek op de commotie: hij dankte de Doema voor de gratis reclame.

Vorige week woensdag was het dan zo ver: de première was uitverkocht. Moskous jet set, tuk op een rel, baande zich een weg door de demonstranten. Ook een aantal parlementsleden waagde zich in het hol van de leeuw. Naakte vrouwen hadden ze verwacht en kakofonische muziek, maar ze moesten teleurgesteld afdruipen. Doemalid Jelena Drapeko, die volgens eigen zeggen de voorstelling `moedig' had uitgezeten, noemde de opera een `mengsel van postmodernisme en constructivisme van het begin van de twintigste eeuw' en raadde de muziekliefhebbers aan thuis te blijven. En Pavel Pozjigailo van de Poetin-partij `Verenigd Rusland' mopperde: `Het is natuurlijk kitsch, banaliteit en necrofilie'.

De kinderen van Rosenthal blijkt een totaal onschuldige opera over klonen en klassieke muziek, al blijft het verband tussen beide totaal onduidelijk. Het verhaal is simpel. De joodse wetenschapper Rosenthal ontvlucht in de jaren dertig van de vorige eeuw nazi-Duitsland waar men niets moet hebben van zijn kloonexperimenten. In de stalinistische Sovjet-Unie wordt hij met open armen ontvangen: Stalin ziet wel muziek in het klonen (door Sorokin `doubleren' genoemd) van een leger van Stachanov-stootarbeiders. Maar Rosenthal heeft verhevener plannen. In het geheim kloont hij vijf grote componisten: Tsjaikovski, Verdi, Wagner, Moessorgski en Mozart. Genieën zijn immers onsterfelijk. De vijf grote muzikale geesten worden herboren en componist Desjatnikov kloont enthousiast hun muziek.

Maar Rosenthal sterft en de verweesde klonen raken aan de bedelstaf (`De Sovjet-staat heeft geen geld meer voor jullie onderhoud'). Ze moeten zich op het beruchte Moskouse Plein van de Drie Stations, pleisterplaats voor pooiers en hoeren, straatverkopers, gauwdieven en dakloze zwervers, met straatmuziek in leven houden. Mozart wordt verliefd op de prostituee Tatjana en Verdi koopt haar met een gouden horloge vrij van haar pooier. De twee besluiten op huwelijksreis te gaan naar de Krim, maar de pooier gooit roet in het eten en rattengif in de wodka. Volgt sterfscène van de componisten en Tatjana.

De kinderen van Rosenthal is eerder traditioneel dan avant-gardistisch. Desjatnikov varieert fraai en handig op de muziek van de vijf componisten, die elk hun herkenningsmelodie hebben. Soms is dat geestig, zoals in de parodie op het voor Russen heilige duet van Tatjana en haar voedster uit de opera Jevgeni Onegin van Tsjaikovski. In Desjatnikovs variant werpt de dikke kloon van Tsjaikovski zich aan de forse boezem van zijn njanja, wat tot grote hilariteit in de zaal leidt. Soms is het ontroerend, zoals in het duet van Mozart en zijn geliefde Tatjana. Het libretto van Sorokin is scabreus noch scandaleus, maar eerder een beetje nietszeggend. Het verhaal gaat als een nachtkaars uit. Maar dat er op het podium van het Bolsjoj plaats is voor humor én voor de prostituees van het Plein van de Drie Stations is pure winst. De zaal is uitermate tevreden en cast, schrijver en componist krijgen menig open doekje. Het is dan ook de vraag of de Doema ooit nog terug komt op het gevraagde onderzoek naar het `morele gehalte' van de opera.