Rookadsorptie

DE `GROTE SCHOONMAAK', die traditioneel voor Pasen eindigde, is praktisch verdwenen. Hier in Nederland is dit wel in verband gebracht met de vondst van het goedkope aardgas dat binnen tien jaar de klassieke kolen- en oliekachels uit de huiskamer verdreef. Sindsdien zou al dat schoonmaken aan het eind van het stookseizoen niet meer nodig zijn, want gaskachels vervuilen het huis niet.

Of het waar is valt te bezien. Het definitief doven van de kolenkachel, meestal zo rond 1 april, was vroeger zeker een gewichtig besluit, want het weer aanmaken van de kachel was een heel gedoe. Alleen al het verdwijnen van dat moment kan een rol hebben gespeeld, maar voor hetzelfde geld werd het schoonmaken afgeschaft toen in de jaren zeventig zoveel andere tradities overboord gingen.

Zeker zo interessant is de vraag wanneer de `grote schoonmaak' zich eigenlijk als traditie vestigde. Hier en daar wordt op internet beweerd dat de gewoonte pas laat in de negentiende eeuw ontstond. De onuitgesproken suggestie is dat er een verband is met het rond 1850 opgekomen `hygiëne-denken', dus de ontdekking van zonlicht en frisse lucht als heilzaam voor de gezondheid. En `bedomptheid' als iets gevaarlijks. Vast staat dat uit de brandstofhoek geen duidelijke prikkel kwam, ook in de negentiende eeuw ging het immers al gestaag de goede kant op. De oude lampen die op dierlijke of plantaardige olie brandden werden vervangen door efficiënte, welontworpen petroleumlampen. Later kwamen het gaslicht en de elektriciteit.

Het waarschijnlijkst is dat de `grote schoonmaak', die immers ook gepaard ging met het verwisselen van stro in matrassen, het witten van de muren en het snoeien van struiken, eeuwen bestaan heeft, meer of minder streng gekoppeld aan Pasen of het begin van de lente. Spring-cleaning, zoals de Engelsen het noemen. Oude woordenboeken zijn het aangewezen hulpmiddel om in dit soort overpeinzingen snel uitsluitsel te krijgen. Je zou kunnen opzoeken of het `Grossreinemachen' al in het Deutsches Wörterbuch (1854) van Jacob en Wilhelm Grimm voorkomt.

Kleine gedachten van deze soort ontwikkelden zich op de dag na de avond waarop weer eens ouderwets stevig sigaar was gerookt. Die dag bracht de bekende waarneming dat sommige voorwerpen en kledingstukken penetrant naar verschaalde sigaar kunnen blijven ruiken terwijl andere de geur nauwelijks opnemen of vasthouden. Soms heeft `luchten' daarop een duidelijke effect, maar soms ook helemaal niet. Luchten kan lang niet altijd het schoonmaken vervangen.

De vraag was of daar wel eens systematisch onderzoek naar was gedaan. Eerdere AW-exercities op dit terrein gaven weinig hoop een Nederlander te vinden die uit eigen ervaring kon spreken. Daar staat tegenover dat er veel over geur en stank op internet is te vinden, met de trefwoorden `adsorption' en `odor' (en `physics' als filter) belandt men snel tussen de juiste literatuur. Een andere goede zoekterm is `activated carbon', want actief kool (vooral bekend als Norit) is het best bestudeerde adsorbens.

Heel toegankelijk was een proefschrift van ene Mark P. Cal in Illinois die bewees dat het nuttig zou zijn in moderne woningen gordijnen van actief kool op te hangen. Die kunnen dan steeds snel allerlei kwalijke organische oplosmiddelen opnemen waardoor de kans op kanker met sprongen daalt. Cal heeft niet ingezien dat het commercieel aantrekkelijker is actief kool door de korrels van de kattenbak te roeren.

Adsorbtie van geurmoleculen door een adsorbens zoals Norit, maar ook textiel, papier of plastic, is een oppervlakteproces dat voornamelijk wordt beheerst door fysische regels. Zelden ontstaat een chemische binding tussen het een en het ander, meestal is de binding van het los-vaste reversibele soort dat gemakshalve als een Van der Waals-binding wordt beschreven. Afgezien van de grootte van het oppervlak wordt de geadsorbeerde hoeveelheid geur bepaald door de temperatuur en het aanbod aan geurmoleculen. Er bestaat een ruwe afhankelijkheid van de concentratie van de geurmoleculen die meestal S-vormig is. Blijft de concentratie geurmoleculen beneden een bepaalde waarde, dan wordt praktisch niets opgenomen. Boven een andere, veel hogere conentratie is de concentratie niet langer van invloed op de totale adsorbtie.

Wie er even over nadenkt begrijpt dat hier de verklaring, althans beschrijving, van het luchten wordt genoemd. Geurstoffen die aan oppervlakken zijn geadsorbeerd zijn daar weer vanaf te krijgen door hun concentraties in de omgeving flink te verlagen. In de praktijk worden de goede bedoelingen nog al eens gehinderd door een sterk `hysterese-effect': de concentratie geurmoleculen in de lucht moet onevenredig veel lager gemaakt worden om de geur weer los te krijgen van de ondergrond.

Enfin, Cal brengt heel veel van dit soort beweringen, maar dan gevat in tabellen en empirische formules. Veelzeggend is zijn kanttekening dat niet of nauwelijks op voorhand valt aan te geven welke geurstof aan welk adsorbens zal hechten. Het is voornamelijk empirie.

Dat is ook wat hier op het plaatje staat. Van AW-wege is geprobeerd vast te stellen welke materialen sigarenrook bij uitstek adsorberen en welke niet. Vier evengrote proefstrookjes van katoen, papier, aluminium folie en vuilniszakkenplastic werden vastgeniet op een kartonnen raamwerk. Dit raamwerk heeft een nacht doorgebracht in een beschuitbus waarin een smeulende sigaar een uur aan zichzelf was overgelaten.

Vier uur nadat het raamwerk uit de bus werd gehaald heeft een panel van vijf ongetrainde onderzoekers aan de strookjes geroken. Geen enkele proefpersoon herkende de geur en één welwillende persoon noemde deze zelfs `niet-onaangenaam'. Eensluidend was men in het oordeel dat katoen en plastic de meeste geur afgaven en papier en folie het minst. Er is dus aantoonbaar verschil! In de slotconclusie stuit de AW-redactie op een klein probleem: ontbreekt de geur bij papier en folie omdat daar niets geadsorbeerd werd of juist omdat de geadsorbeerde geur niet meer los wil komen? Later meer.