Over monniken en kappen

Over pensioenen (uit een dienstverband), oudedagsvoorzieningen en de dreigende vergrijzing (in 2040 circa vier miljoen 65-plussers, tegen nu twee miljoen) wordt (internationaal) door belanghebbenden bijna dagelijks gediscussieerd en geschreven. Logisch, want in de kassen van pensioenfondsen, verzekeraars en banken zit, ruim geschat, om een indruk te geven, 1.000 miljard euro voor later. Tel daar de miljarden aan overwaarde in woonhuizen bij en het zal duidelijk zijn dat het om een zee barstensvol geld gaat. Daar wil iedereen graag uit putten. Ook blijkt dat de vergrijzing geen nationale ramp hoeft te worden.

Dat zijn de grote lijnen van het pensioenverhaal, waar je als werknemer of als kleine zelfstandige niet veel aan hebt. Het gaat immers om jouw oude dag. Hoe kom je aan voldoende geld om het uit te zingen tot je overlijden? Maar daar praten de (commercieel) betrokkenen, deskundigen en politici niet over. De discussie draait om de definitie van een pensioengebouw dat bestaat uit drie verdiepingen of rust op drie pijlers. De AOW, als overheidsvoorziening voor iedereen; de aanvullende collectieve pensioenen voor werknemers van ondernemingen, bedrijfstakken, enkele beroepsgroepen en ambtenaren; en als derde pijler de zelf gesloten lijfrentepolissen.

Tussen de AOW (ingevoerd in 1957) en de andere twee pijlers bestaat een verzekeringstechnisch verschil. De AOW is opgezet als omslagstelsel: de premiebetaler betaalt niet voor zijn toekomstige uitkering, maar voor de AOW die in datzelfde jaar wordt uitbetaald aan 65-plussers. Daar wringt de schoen bij de vergrijzing, er moeten straks genoeg werkers zijn die voldoende betalen voor de dan 65-plussers. Dus is de AOW geen normale verzekering tegen premiebetaling.

De pensioenregelingen en lijfrenteverzekeringen, de tweede en derde pijler, werken volgens de omkeerregeling. De betaalde premies mogen worden afgetrokken van het belastbare inkomen in box 1 en de opgebouwde aanspraken vallen (net als het eigen huis) als uitgesteld inkomen ook in die box en niet als belastbaar vermogen in box 3. De toekomstige uitkeringen vallen als belastbaar inkomen eveneens in box 1. De overheid geeft nu, de aftrek, en neemt straks, de belasting.

Je verwacht dat de overheid de pensioenen en lijfrentes fiscaal gezien gelijk behandelt, maar dat is niet zo. Dat is een van de conclusies in het deze week aan minister Zalm aangeboden rapport Gelijke Behandeling Pensioen en Lijfrente van het pensioencentrum van de Universiteit van Tilburg (zie www.pensionresearch.org)

De opstellers menen dat door de versoberingen van de regelingen in de tweede pijler de lijfrenteverzekeringen in de derde pijler (als compensatie) belangrijker kunnen worden dan nu. Maar dat is nog niet doorgedrongen tot de wetgever. Zo is de bepaling van de maximale lijfrentepremieaftrek in de laatste decennia door de detailleringsdrang van de wetgever en de vele overgangsmaatregelen voor burgers niet te doorgronden. Terwijl het inkomstenbelastingstelsel 2001 de zaken juist wil vereenvoudigen.

Een ander bezwaar betreft de fiscaal vriendelijke opbouw van een pensioen. Deelnemers in de tweede pijler krijgen veel meer ruimte dan de verzekerden in pijler drie. Belastingplichtigen worden op dit punt ongelijk behandeld. Dus: gelijke monniken, ongelijke kappen. De opstellers bevelen de wetgever aan om onder meer dit punt aan te passen.

Het rapport legt duidelijk en terecht de vinger op de zere plek, want de werknemers in pensioenregelingen worden onder meer fiscaal voorgetrokken boven niet-werknemers, zoals zelfstandige ondernemers in bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf. Terwijl de overheid het vrije ondernemerschap toch wil stimuleren.

Een schaduwkant van dit rapport lijkt de beperking tot de fiscale aspecten (omkeerregeling) van oudedagsvoorzieningen als pensioenen en lijfrenteverzekeringen, waar pensioenfondsen en levensverzekeraars van leven. Het Tilburgse Pensioencentrum wordt gesponsord door Interpolis.

Je kunt ook stellen dat de lijfrentepolissen qua rendement (opbouw en periodieke uitkeringen) thans onvoordelig zijn en het pensioengebouw nog een vierde pijler kent, het zelf beleggen voor je oude dag. Daar hoor je zelden over.