Onverschilligheid

De belangstelling begrijpt men niet, de borden met zijn naam zijn geschonden, een café met zijn naam – alla. Vraag niet naar de schrijver, maar geniet op eigen wijze.

Rouen is de stad van Jeanne d'Arc (museum), Pierre Corneille (museum) en Gustave Flaubert (niets). Tenzij zijn geboortehuis, grenzend aan het voormalige Hôtel Dieu waar zijn vader geneesheer-directeur was, of het tuinhuis in het naburige Croisset, waar eens ook zijn landhuis stond of, armzaliger herinnering, zijn bibliotheek in het gemeentehuis van het naburige Canteleu wordt meegerekend: in de trouwzaal! De sleutels voor zijn boekenkasten kunnen gehaald worden in het aanpalende Espace Culturel François Mitterrand. Zeventig jaar na zijn dood zag de eerbiedwaardige Académie Française, die zich over zijn literaire nalatenschap zou ontfermen, er alsnog vanaf om de bibliotheek in het musée Mazarin onder te brengen. Geen plaats, bij nader inzien. ,,Ik houd ervan de mensheid en alles wat zij respecteert, vernederd te zien, belachelijk gemaakt, gehoond en uitgefloten'', schreef Flaubert. Dat was geen aanbeveling.

Hij komt na lang aanbellen aansloffen. Chagrijnig gezicht. Of de bezoeker vanmiddag wil terugkomen, over een klein uur begint hij aan zijn lunch. Dan heeft u meer tijd, nietwaar. De portier sloft terug. De straat naar het voormalige Hôtel Dieu, een paleisachtig gebouw dat nu het provinciehuis van Normandië is, is zowaar naar Flaubert vernoemd. De naam van de onaanzienlijke straat, met natuurlijk een café Le Flaubert, staat niet op de plattegrond die de VVV van Rouen aan toeristen verstrekt. Hier woonde Flaubert de eerste 22 jaren van zijn leven. Beneden is nu een uitstalling van gedateerd medisch vernuft. Hij was zeer gesteld op zijn vader, maar ,,dokters zijn even grote idioten als filosofen, al zijn het idioten van een andere soort''.

Boven hangt een jeugdportret van zijn vriend en haremliefhebber Maxime du Camp, met wie hij anderhalf jaar door het Midden-Oosten reisde. Een mooie jongen. ,,Maxime heeft zijn derde sief te pakken, niets is zo gezond als reizen.'' Flauberts geboortebed staat er. En een schilderij met het doodsbed van Madame Bovary en twee terneergeslagen mannen, de pastoor Bournisien en de apotheker Homais aan wie de mooiste slotzin van de wereldliteratuur is gewijd. Zij had zich vergiftigd. ,,Stuiptrekkend viel zij achterover. Allen schoten toe. Zij was gestorven.'' En de papegaai Loulou staat er, geleend aan de schrijver door het museum van Rouen voor zijn beschrijving in Un coeur simple, het beeldschone verhaal over het boerenmeisje Félicité, dat de gestorven papegaai die haar enige levensgezel was gebleven, had opgezet en op haar doodsbed had aangezien voor de Heilige Geest.

Terugwandelend naar de Place de la Cathédrale, langs vakwerkhuizen waarvan sommige nog uit de Middeleeuwen stammen en waar McDonald's zich aan de verhoudingen hoffelijk heeft aangepast, is aan de rechterkant te zien dat hier de oude stad is geschonden. In juni 1944 stond het centrum tot ver aan de linkeroever van de Seine in brand. De nieuwbouw detoneert. Maar de kathedraal glorieert en ziet er op deze koude winterdag uit zoals Monet hem in de winter van 1892 schilderde: paarsblauw. Het werk (101 x 73,5 cm) hangt in het Musée des Beaux-Arts. Sta je op twee meter afstand ervan, dan is het beeld wazig, maar op tien meter afstand is de asymmetrie van de kathedraal tot in detail te onderscheiden. Een lichtrevolutie in de schilderkunst. Monet schilderde dertig varianten, telkens op verschillende momenten van de dag, telkens in andere kleuren, de eerste twee in een huurkamer aan het plein. Madame Bovary, die in de kathedraal met haar minnaar had afgesproken, had nerveus en bijna ten einde raad als zij was voor de schoonheid van het bouwwerk geen aandacht. De spraakzame ordebewaker die haar met alle geweld de kathedraal wilde tonen, begon bij de ring van zwarte tegels in het plein: de omtrek van de klok van Amboise, de grootste van Europa. ,,De man die haar gegoten heeft is daarna van blijdschap gestorven.''

De kathedraal, waarvan hij de bewonderaars door de mond van de ordebewaker belachelijk maakte, moet hij vanuit zijn werkkamer in het landhuis in Croisset hebben kunnen zien. Nu wordt de oude stad aan het zicht onttrokken door een kilometers lang industrieterrein met graansilo's, opslagloodsen en containerkranen. In de rivier liggen zeeschepen. De bewegwijzering naar het tuinhuis (pavillon) is gemakkelijk te volgen, tot de bezoeker het spoor bijster is. Een bewoner, om de weg gevraagd, begrijpt de belangstelling niet. ,,Het stelt niks voor.'' Het laatste bord voor het paviljoen ligt werkeloos in de berm.

Hier in Croisset vond hij troost in de eenzaamheid en schreef hij zijn meesterwerken (,,Bij het schijnsel van mijn lamp brul ik mijn zinnen in de stilte van mijn werkkamer'') en vrijwel al zijn correspondentie, die volgens André Gide zo mooi is dat hij de bijbel op zijn nachtkastje daarvoor verruild had. Zijn nichtje Caroline verkocht het huis na zijn dood aan een industrieel om haar schulden te delgen. Alleen het tuinhuis is gered, waar nog zijn stoel met de hoge rugleuning staat, door zijn georganiseerde bewonderaars met lichtbruin leer modern bekleed, heel anders dan de identieke stoel in de trouwzaal waar zijn bibliotheek zich bevindt, waarvan de bekleding met bloemmotief tot op de draad is versleten. Deskundigen ruziën om wat zijn echte schrijversstoel is geweest, waarop hij geschreeuwd had en adem tekortkwam toen hij de neukscène in Madame Bovary schreef. En de opgezette Loulou staat ook hier!

Maar het mooiste in het tuinhuis zijn de blonde haarlokken die zijn minnares Louise Colet hem had geschonken, door hem in een klein glazen doosje bewaard. ,,Ik wil van jou als vrouw alleen het vlees.'' Zij had als dichter succes en was door de Franse literaire elite bekroond. ,,Ik geloof dat in het algemeen gesproken succes bij vrouwen een teken van middelmatigheid is.'' Hij zat soms in het tuinhuis na het – altijd overvloedige – diner koffie te drinken of ontving er zijn vrienden zoals de dichter Louis Bouilhet om hun voor te lezen uit zijn werk waaraan hij bezig was. ,,Ik begin klokke vier te loeien, kom dus tegen drieën.'' Maar klagen of somberen, zoals in zijn brieven, deed hij in zijn werkkamer of soms op zijn huuretage in Parijs. ,,Na geluncht te hebben met een dame die ik heb beledigd door haar een idioot te noemen, ben ik op bezoek gegaan bij een andere die ik voor gans heb uitgemaakt.'' Ten slotte was voor hem ,,de inktpot de ware vagina van de ware literator''.

,,Je hebt waarschijnlijk in de kranten gelezen over de fikse hagelbui die Rouen en omstreken heeft getroffen'', schreef hij op een keer aan Louise Colet. Totale ramp, mislukte oogsten, alle ruiten van de burgerlui kapot. In Rouen meende men dat het einde van de wereld nabij was. Maar het deed hem niets. ,,Ik geef de wereld wat zij mij geeft, onverschilligheid.'' Hij had er zelfs aardigheid in. Hij bewonderde de echte orde die in vijf minuten de heerschappij over de valse had hernomen. De Lieve Heer moest van tijd tot tijd weer eens op zijn voetstuk worden gezet. Ze hebben het hem nooit vergeven. Op het kerkhof op de heuvels aan de noordkant met het mooiste uitzicht op de stad is het verwijsbord Famille Flaubert afgebroken. De bezoeker zoekt het maar uit.

Het is een dodenstad met dodenhuizen langs smalle, lange straten, de graftempels zijn soms wel drie meter hoog. Hier liggen de erekruisen: de magistraten, de officieren, de voorname families van Rouen in hun concession perpétuelle. Sommige graven zijn al totaal vervallen. Kraaien boven het kerkhof lachen de doden uit. In niets weerspiegelt deze dodenstad de historische stad die aan zijn voeten ligt, behalve de onverschilligheid jegens een van zijn kunstenaars.

Flauberts graf ligt naast dat van zijn ouders en zijn zusje Caroline, van wie hij zielsveel hield (op 21-jarige leeftijd gestorven). Hij ligt naast zijn moeder, maar vergeleken met zijn ouders heeft zijn graf een onaanzienlijke zerk, waar een wit kruis op staat. ,,Conventioneel idee, het idee van het graf! Je moet daar verdrietig zijn. Zo hoort dat nu eenmaal.''

Aan de andere kant van de weg omhoog naar het kerkhof ligt nog een kerkhof, nieuwer. Helemaal aan de buitenkant liggen tachtig graven van Duitse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen. Met Duitse militaire kruisen. Maar het christelijke kruis boven het graf van Flaubert, die de christelijke bewieroking van de genade in plaats van de gerechtigheid haatte, valt de bezoeker meer in het oog. Flaubert hield van religie, van de mystiek ervan, niet van het ,,immorele evangelie'' dat voor moraal doorgaat, al was hij over de islam, die hij als iets monsterlijks beschouwde, evenmin karig in zijn kritiek. ,,Ik eis in naam der mensheid dat de Zwarte steen verbrijzeld, het gruis ervan in de wind verstrooid, dat Mekka verwoest en het graf van Mohammed onteerd wordt. Het zou een goede manier zijn om het Fanatisme de moed te doen verliezen.''

Tien stappen naar beneden ligt zijn vriend Louis Bouilhet, met op diens graf een beeld dat vreemd genoeg sprekend op Flaubert lijkt, maar hem niet is. ,,Ik heb zojuist mijn arme Bouilhet begraven. En ik liep aan het hoofd van de rouwstoet.'' Hij was over de aanwezige burgermannen uit Rouen mild, per slot van rekening was hij met hun stompzinnigheid ruimschoots vertrouwd. ,,Maar ik zal u de gruwelijke en groteske details besparen.''

De citaten van Flaubert zijn afkomstig uit zijn brieven.