OMO

Ons middelbaar Onderwijs, kortweg OMO, is een vereniging van zo'n 45 scholen voor voortgezet onderwijs in Brabant. In OMOlogie, het clubblad van dit van oorsprong roomse bolwerk, ventileert drs. P.J.J. Hendrikse, lid van de Raad van Bestuur van OMO, zijn boosheid over publicaties van Ton van Haperen en mij die in deze krant zijn verschenen. Dit onder de titel `Verlos ons van cynische frikken!'. Van Haperen werkt op een OMO-school. Dat maakt het voor hem niet makkelijk daarop te reageren, temeer daar hem al eerder te verstaan is gegeven dat dit door OMO bepaald niet op prijs wordt gesteld.

Het verwijt van cynisme is blijkbaar de laatste vondst van het CDA om iedereen die kritiek heeft op bestuurders of beleid de mond te snoeren. We doen zo ons best, werken hard om wat al zo goed is nog beter te maken en dan komen die onuitstaanbare spelbrekers met allerlei verwijten. Aldus de teneur van Hendrikses klaagzang. In zijn woorden: `Versterking van de sector door meer professionaliteit, een passender onderwijsaanbod en een adequate financiële en beheersmatige planning vanuit een eigenstandige verantwoordelijkheid staat bovenaan de agenda van elke dag.' Zo, nu weet u waar ze daar dagelijks mee bezig zijn. Overigens twijfel ik er niet aan dat het allemaal goed bedoeld is. Maar daar gaat het helemaal niet om. Mijn bezwaar tegen OMO en vergelijkbare organisaties heeft te maken met het volgende.

In het verleden werden scholen bestuurd vanuit het ministerie. Dat wekte in toenemende mate weerstand omdat de situatie waarin scholen werken steeds meer van elkaar gingen verschillen. Daar kwam bij de algemene tendens tot deregulering, besturen op afstand, privatisering, etc. Deze ontwikkeling betekende voor het onderwijs dat instellingen meer zelfstandigheid werd verleend, en daarmee de ruimte kregen om te reageren op de specifieke situatie ter plaatse. Dit was althans de bedoeling. Het probleem nu is dat veel grote schoolbesturen de centralistische rol van het ministerie hebben overgenomen.

Zoals ieder bureaucratisch apparaat hebben ook schoolbesturen de neiging steeds meer taken naar zich toe te trekken en uit te dijen. Met als gevolg dat scholen niet langer gebukt gaan onder het juk van Zoetermeer maar onder dat van hun bestuur. De ambtenaren die in Zoetermeer zijn verdwenen zijn er op een lager niveau bijgekomen. De vrijheid heeft dus tot gevolg gehad dat gelden niet doelmatiger besteed worden, noch dat beslissingen bij de basis zijn komen liggen. Staatssecretaris Rutte hekelt terecht de bureaucratie in het hoger en wetenschappelijk onderwijs, maar voor het secundair onderwijs geldt in veel gevallen hetzelfde. Hendrikse: `In de lijn van meer deregulering en vergroting van autonomie die in het VO sinds een aantal jaren gelukkig zichtbaar wordt, heeft iedereen belang bij een verdere verheldering van de formele verhouding tussen bestuurders, toezichthouders en belanghebbenden binnen het VO.' Vervolgens gaat hij nader in op transparantie en de code Tabaksblat. Daarmee geeft Hendrikse aan niet te willen begrijpen wat de oorzaak is van wat hij betitelt als mijn cynisme. Dat betreft niet de vraag of besturen al dan niet fatsoenlijk hun werk doen, maar het probleem dat veel besturen de autonomie van de scholen in de weg staan. Zij schrijven de scholen meer gedetailleerd de wet voor dan het ministerie ooit heeft gedaan zodat het effect van de autonomieverlening tegengesteld is aan wat werd beoogd. Het streven om het onderwijs dichter bij de burger brengen heeft in de praktijk zo uitgewerkt dat het onderwijs dichter bij Hendrikse en consorten terecht is gekomen.

lgm.prick@worldonline.nl