`Niets is zo makkelijk als een alibi'

In het hoger beroep van de Van Gogh-zaak richtten de advocaten zich gisteren op hun dwaalspoortheorie. ,,De muts is te toevallig. Die straalt uit: `Vind mij, ik ben een daderspoor!'''

,,Ik zat in de meldkamer, tegen acht uur 's ochtends. Als eerste klonk het alarm van een raam op de bovenverdieping. Toen zag ik op een monitor twee mannen rennen en twee schilderijen van de muur trekken.''

De beveiligingsmedewerker van het Van Gogh Museum mocht gisteren in het Amsterdamse gerechtshof vertellen hoe hij de ochtend van zaterdag 7 december 2002 had beleefd, toen de schilderijen Zeezicht bij Scheveningen (1882) en Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen (1884) van Vincent van Gogh uit het museum werden geroofd. Hij was de laatste getuige die werd opgeroepen in het hoger beroep van de Van Gogh-zaak. De twee 32-jarige verdachten, Octave D. en Henk B., werden in juli 2004 veroordeeld tot respectievelijk vierenhalf en vier jaar cel, maar houden vol niets met de roof te maken te hebben.

Waarom drukte hij niet op de opnameknop toen hij de dieven zag rennen, vroeg de rechter. ,,Daar is een reeks handelingen voor nodig'', antwoordde de bewaker. ,,Ik had in mijn ene hand de portofoon en in de andere de telefoon waarmee ik 112 belde.'' Hij zat die dag alleen in de meldkamer. ,,In het weekend was de bezetting minder dan doordeweeks. Wie wil er niet vrij zijn in het weekend?''

De advocaten van de verdachten, B. Ficq en N. Meijering, grepen die verklaring aan om twijfel te zaaien over het aantal dieven. Volgens hen is het goed mogelijk dat de inbrekers voorkennis hadden, misschien zelfs hulp van binnenuit kregen. Niet voor niets vond de diefstal na zeven uur 's ochtends plaats; het tijdstip waarop het museum de infraroodbewaking uitzet om de schoonmakers vrij baan te geven. Zou het niet kunnen dat iemand zich had laten insluiten en vervolgens na zeven uur naar de plaats van het delict gekropen was, vroeg Ficq zich af. En wie kon weten dat het glas van het museum boven minder stevig was dan op de begane grond?

Tijdens vorige zittingen zei de verdediging steeds dat het rafelige gat in de ruit, waardoor de dieven naar binnen zouden zijn gekropen, te klein was voor een volwassen man. Maar tien dagen geleden bleek bij proeven dat dit wel degelijk kan; in het forensisch laboratorium was zelfs de advocaat-generaal vrolijk door het gat gesprongen. Dus richtten de advocaten zich nu vooral op hun dwaalspoortheorie. Ze zijn ervan overtuigd dat de gevonden muts en de pet, met daarin DNA van de verdachten, door derden in het museum zijn achtergelaten. Advocaat Ficq: ,,De vindplaats van de muts is te toevallig. Die straalt uit: `Vind mij, ik ben een daderspoor!''' Verdachte Henk B.: ,,Ik ben blij dat mijn muts niet bij het lijk van Cor van Hout gevonden is.''

Verder wezen de advocaten op het gebrek aan direct bewijs. Geurproeven met honden leverden niets op, loopsporen van het gat naar de schilderijen ontbraken en de daders hebben geen alibi. Ficq: ,,Niets is zo makkelijk als het regelen van een alibi. Dat mijn cliënten er geen hebben, is dus juist ontlastend.''

De verdachten maakten van de lange zitting een komische voorstelling. Toen de rechter hen ondervroeg over hun royale bestedingsgedrag na de roof, antwoordde Octave D.: ,,Die Mercedes? Die was van mijn vader. Ik hou meer van Golfjes.'' Maar gehuild werd er ook. ,,Ik wil vooral mijn familie ervan overtuigen dat ik hier niets mee te maken heb'', snikte Henk B. Uitspraak in de zaak volgt op 8 april.