Monniksgier

De vogel daarginds boven de Oostvaardersplassen in Flevoland, hoog zwevend met indrukwekkend gespreide vleugels, breed uitwaaierende staart, de slagpennen als zwarte punten vooruitwijzend, is geen gangbare Nederlandse vogel. Het is zondag 20 maart 2005. Het voorjaar begint door te breken. De vlucht van de gier – want onmiskenbaar behoort deze zeldzame verschijning tot de familie der grote roofvogels, de Accipitridae – meet ruim twee meter en de lengte bedraagt een meter. Mijn veldkijker vangt de monniksgier, een uiterst bijzondere dwaalgast. Sinds 1800 is hij driemaal eerder waargenomen met als twee laatst geregistreerde observaties in 1948 en 2000 in Friesland en op de Maasvlakte bij Rotterdam. Van deze soort (Aegypius monachus) leven ongeveer nog duizend paren in het ruige, bergachtige gedeelte van Spanje. Het verenkleed is effen roetbruin, tegen het zwarte aan. De vogel gedraagt zich solitair. In de vlucht vallen de lichte poten op. Het majestueuze vliegbeeld is onvergetelijk. Dan maakt de monniksgier een enkele slag met de vleugels, en zeilt uit het beeld. Een historische waarneming.

Vale gier,

illustratie:

Rein Stuurman: (Zien is Kennen!)

freriks@nrc.nl