Maar de toekomst is aan de kernenergie

Kernenergie is de enige haalbare techniek om te voldoen aan de stijgende vraag naar energie zonder de broeikasgassen te produceren. Daarom kunnen we niet om kernenergie heen.

De energiebehoefte op de wereld neemt ingrijpend toe, vooral in de ontwikkelingslanden. De komende paar jaar zullen China en India een aanzienlijke nucleaire capaciteit ontwikkelen. Kleinere ontwikkelingslanden zullen dit voorbeeld volgen. Ze moeten wel, als ze willen voorzien in de energiebehoeften van hun burgers.

Natuurlijk: biomassa, windenergie, waterkracht en zonnepanelen kunnen helpen. Maar de bijdrage van deze energiebronnen aan de wereld-energiebehoefte blijft naar verwachting bescheiden: hoogstens 14 procent.

Kernenergie is op het ogenblik de enige haalbare techniek om te voldoen aan de stijgende vraag naar energie zonder de broeikasgassen te produceren die de toekomst van onze planeet bedreigen. Wat moeten overheden doen om de keuze voor kernenergie mogelijk te maken?

In de allereerste plaats moeten ze een psychologische oorlog voeren en winnen. Ondanks de veilige staat van dienst is kernenergie op dit moment het slachtoffer van de angst die door de tegenstanders ervan wordt gevoed. Wil kernenergie de juiste plaats gaan innemen in de mondiale energiemix – en dat is gelet op de langetermijnprognose van de energiebehoefte ook noodzakelijk – dan zullen de overheden het tij van de publieke opinie moeten keren. Kunnen ze dat niet, dan is het hun verantwoordelijkheid dat de opwarming van de aarde in een stroomversnelling raakt.

Hier is een lijstje van vier actiepunten:

Overheden moeten internationale overeenkomsten afdwingen waarmee de verspreiding van de kernwapentechnologie wordt verboden en ze moeten zorgen dat alle landen zich hieraan houden. Laten we duidelijk zijn: we willen atomen voor vrede, niet voor oorlog.

Overheden moeten roulerende internationale teams van deskundigen aanstellen die het beheer van alle kerninstallaties controleren. Overheden hebben een verplichting de openbare veiligheid te waarborgen, en deze verplichting geldt zowel het exploitatie van kerncentrales als het opruimen van kernafval. Atoomrisico's zijn grensoverschrijdend, zoals tragisch is aangetoond door Tsjernobyl. Daarrom moeten ook de oplossingen internationaal zijn. De controle zou moeten plaatsvinden onder het toezicht en gezag van een internationale organisatie die geloofwaardig en boven elke verdenking verheven is.

Geloofwaardige aanhangers van kernenergie moeten worden aangespoord om met betrouwbare, wetenschappelijke en op feiten gebaseerde gegevens te komen over operationele veiligheid, nonproliferatie en het opruimen van kernafval op een neutrale, transparante en verantwoordelijke wijze.

Geleerden als Burton Richter en James Lovelock doen dit al, maar er zijn meer van zulke mensen nodig, en ze moeten vrij zijn – ook in de ogen van de buitenwereld – van politieke banden en invloeden. Ze moeten afkomstig zijn van buiten de kernindustrie en hun woord moet boven elke verdenking en twijfel verheven zijn.

De meest ontwikkelde landen op de wereld moeten alles doen wat nodig is om te zorgen dat iedereen op aarde profiteert van vooruitgang in de kerntechnologie. Dit betekent de verstrekking van fondsen en know-how voor investeringen en onderzoek en ontwikkeling, vooral aan de ontwikkelingslanden. Het betekent ook dat er een bevredigend antwoord moet worden gevonden op het vraagstuk van het opruimen van het afval.

De publieke ongerustheid kan het best worden verminderd door specifieke voorbeelden te geven van wat er wordt gedaan en van wat er kán worden gedaan. Op dit punt is de aanpak van Finland voorbeeldig. Anders dan een aantal andere ontwikkelde landen exporteert Finland geen kerntechnologie, zodat het geen direct commercieel belang heeft bij de bevordering ervan. Toch breidt Finland zijn kerncapaciteit uit met behulp van een programma dat brede publieke steun geniet.

Het antwoord van Finland op het afvalvraagstuk is dat het kernafval ondergronds wordt opgeslagen in een geschikte geologische formatie, waarin ongeveer het afval van een eeuw kan worden opgeborgen. Na die 100 jaar zal volgens de huidige plannen het geheel worden verzegeld. Maar als de technische ontwikkelingen tussen nu en dan een betere oplossing hebben opgeleverd – en dat lijkt zeer waarschijnlijk – kan het afval geborgen en hergebruikt worden. Het menselijk vernuft zal een betere aanpak hebben ontdekt.

Geen enkele energiebron is geheel zonder gevaar. Beleidskeuzes moeten berusten op een analyse van de gevaren en de voordelen. Tussen 1918 en 1965 kostten 42 grote damdoorbraken een aanzienlijk aantal mensenlevens. Hebben we daarom geen dammen meer gebouwd? Zijn we gestopt met steenkool wegens de hoge risico's van de mijnbouw? In beide gevallen is het antwoord nee. Wel hebben we ons best gedaan voor betrouwbaardere technieken en strengere veiligheidsmaatregelen. Hetzelfde moet gebeuren bij kernenergie.

In omvang is de hoeveelheid afval van de huidige kernindustrie gering. Bij een juiste verwerking levert een kerncentrale van 1.000 megawatt jaarlijks maar vijf kubieke meter hoog-radioactief afval op. De hoeveelheid hoog-radioactief afval die jaarlijks in Europa wordt geproduceerd bedraagt 500 kubieke meter, een minuscule 0,005 procent van het totaal aan giftig industrieafval. Het menselijk vernuft kan een antwoord vinden op de uitdaging om dit op te ruimen.

De toekomst van de energie is niet de toekomst van een bepaald werelddeel, het is de toekomst van onze gehele, broze planeet. Om de aarde te beschermen, moeten we alle deskundigheid en alle middelen inzetten ten behoeve van een versneld energie-onderzoek.

Kernenergie is een van de vele mogelijkheden, maar op het ogenblik wel de meest belovende. Onze verantwoordelijkheid is om te zorgen dat onze planeet blijft voortbestaan in een toestand die gunstig is voor menselijk leven. Dat – en niet bij voorbaat een uitsluiting van bepaalde haalbare alternatieven – moet onze belofte aan toekomstige generaties zijn.

Secretaris-generaal van de OESO (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

© New York Times Syndicate