Irak is een paasverhaal vol lijden en hoop

De steen is weggerold van het graf van het oude Irak. Maar is dit wel een verhaal van verlossing en triomf? Dat valt zeer te betwijfelen.

Twee jaar geleden was ik op eerste paasdag in Bagdad, toen net bevrijd door de troepen van de VS en hun coalitie. `Bevrijd', inderdaad. Wie betwijfelt of de meeste Irakezen het toen zo voelden, is er niet bij geweest.

Overal in de stad zag je een volk dat weer opstond uit een soort dood in het leven onder Saddam Hussein. Die ochtend ben ik eerst naar een protestantse kerk gegaan, en daarna naar een paar van de vele politieke partijen die ineens hun bureaus weer hadden geopend. De uitbundigste Iraakse politici waren de communisten. Onder het oude, Ba'athistische regime waren zij met harde hand onderdrukt, maar nu waren ze weer volop aan de slag en deelden rumoerig hun marxistische pamfletten uit.

De indrukwekkendste beelden van dat Paasweekend in Bagdad waren, paradoxaal genoeg, die van de tienduizenden shi'itische islamitische pelgrims die naar Karbala trokken om het religieuze Arbaeen-feest te vieren. Saddam had die pelgrimage verboden, en vele jonge mannen hadden de tocht naar Karbala nooit gemaakt. Nu vulden zij onder de groene en zwarte vaandels van de islam de straten en gaven zij vurig uiting aan hun geloof.

In de twee jaar nadien heeft Irak zoveel ellende te verduren gekregen dat het vaak meer het lijdensverhaal van Goede Vrijdag lijkt dan een verhaal van paasvreugde. Al die doelloos gestorven mensen – jonge Irakezen die in de rij stonden om zich aan te melden bij de politie of het leger; Amerikaanse militairen, aan stukken gescheurd door zelfmoordterroristen of explosieven langs de weg; en Iraakse gezinnen die niets anders hadden misdaan dan op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn.

Wat de meeste Irakezen na de bevrijding van Amerika vroegen was veiligheid, stabiliteit en een kans op een normaal bestaan. Wat zij in plaats daarvan aanvankelijk kregen, was chaos en bloedvergieten, want Amerika maakte een puinhoop van het eerste bezettingsjaar en liet toe dat een moorddadige rebellie voet aan de grond kreeg. Historici zullen er een generatie werk aan hebben om te achterhalen of het anders had kunnen aflopen als Amerika beter had gepland.

Yeats heeft in zijn gedicht `Pasen 1916' woorden gevonden om de kille wreedheid van de moordenaars, het lijden van de slachtoffers en de ontwrichting door de oorlog uit te drukken:

,,Harten met één doel alleen/ door winter en zomer lijken/ omgetoverd tot een steen/ die de levende stroom doet wijken. (-) Een offer dat al te veel vroeg/ kan een steen maken van het hart./ Wanneer, o, is het genoeg?''

Dit jaar kreeg Irak weer iets weg van een paasverhaal. Na al die maanden van vertwijfeling waren de verkiezingen van 30 januari een soort opstanding. Dat de verkiezingen een succes zijn geworden lijkt nu evident, maar het was een driest experiment. De regering-Bush dacht dat de Irakezen vrijheid en democratie net zo hoog zouden aanslaan als Amerikanen, maar tot die ochtend kon niemand er zeker van zijn dat die veronderstelling juist was.

De eerste kiezers stapten de stembureaus binnen met het idee dat het hun het leven zou kunnen kosten, maar zij deden het toch, zó graag wilden ze stemmen. En daar had je het antwoord op het experiment, in bloed geschreven. Voor de Irakezen, en voor de hele wereld, denk ik, werd er die dag iets herboren.

Ik heb de afgelopen twee jaar de komende ontwikkelingen in Irak enkele malen verkeerd beoordeeld. Het was zowel de meest bemoedigende als de meest ontmoedigende geschiedenis waarvan ik als journalist ooit getuige ben geweest. Mettertijd heb ik geprobeerd mijn optimisme én mijn pessimisme te temperen: het is nooit zo erg als het op de dieptepunten lijkt, en nooit zo goed als het op de hoogtepunten lijkt.

Die behoedzame houding – je hoopt er het beste van, en tegelijk zie je onder ogen dat het ergste zou kunnen gebeuren – lijkt gepast, nu onder het oog van de wereld een nieuwe regering in Irak haar volgende stappen voorbereidt. Zal de shi'itische meerderheid die nu in Irak aan de macht is, met wijs beleid iedereen een plaats bieden? Of volgt er opnieuw een ronde van afrekeningen, meer met bloed geschreven hoofdstukken, meer harten die worden omgetoverd tot een onverzettelijk, onwrikbaar geloof? Het valt werkelijk niet te zeggen. Wij hopen dat de opofferingen die Irakezen en Amerikanen zich hebben getroost, gerechtvaardigd zullen blijken. Maar wij weten het niet.

Door die onzekerheid is Irak dit jaar een echt paasverhaal. Je kunt niet met mathematische zekerheid weten hoe de geschiedenis zal aflopen. Het is een zaak van hoop, van bidden, van aanhoudende bloedige strijd. Duidelijk is dat de steen is weggerold van het graf van het oude Irak.

Is het land herboren? Is dit een verhaal van verlossing en triomf? Niemand kan het zeggen. Op dit moment is het een kwestie van vertrouwen stellen in de mensen die twee paasvieringen geleden droomden dat zij een nieuw leven hadden verworven.

Schrijver en columnist bij The Washington Post.

© Washington Post Writers Group.

(Vertaling gedicht door Jan Eijkelboom)