Hoe Finland het flikt

De Finnen mochten afgelopen maand uitleggen waarom hun scholieren zo goed zijn. Het beroep leraar heeft er status.

OP KOUSENVOETEN komen de leerlingen van Tom Pehkomen het klaslokaal binnen. Hun schoenen met resten sneeuw onder de zolen liggen op een grote berg in de gang. Pehkomen, leraar wiskunde, verwelkomt zijn pupillen op zwarte sandalen. Ze nemen twee aan twee plaats in de houten banken. Pehkomen geeft les aan de Vantaankosken Koulu in Vantaa, een plaatsje zo'n twintig kilometer buiten Helsinki. Op traditionele wijze. Hij is aan het woord, schrijft formules op het bord en de leerlingen luisteren. De kinderen op deze basisschool zijn 7 tot 15 jaar oud – Finse jongeren kiezen pas na hun vijftiende een vervolgopleiding. Alle niveaus zitten in één gebouw. De klassen zijn zelden groter dan twintig leerlingen.

trots

Finse scholieren van vijftien jaar presteren wereldwijd het best in wiskunde. Dat bleek in december uit een studie van de organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso). De Finnen zijn apetrots op hun prestaties. Op de dag van het congres opent het Finse journaal met het bericht dat onderwijsministeries uit alle werelddelen naar Helsinki zijn gekomen om achter hun geheim te komen. Ook Nederland stuurde een vertegenwoordiger. Onze scholieren eindigden op de derde plaats. Een hoge totaalscore – al haalden we met probleemoplossend vermogen slechts de 13de plaats. Ook op het gebied van leesvaardigheid is Nederland geen topper: 10de plaats.

Finse kinderen voeren op alle geteste PISA-onderdelen (zie kader) internationaal de lijst aan. Al in 1998 toonde een Oeso-onderzoek (Adult Literacy Survey in de categorie 16 tot 25 jaar) aan dat Finnen boekenwurmen zijn. Daar werd toen nog gekscherend over gedaan. Finnen zouden in hun dunbevolkte land niet zoveel anders te doen hebben. Dat hun kinderen nu ook uitblinken in wiskunde wekt massaal verbazing. Hoe het komt, weten de Finnen zelf ook niet precies.

Volgens PISA-projectleider Andreas Schleicher springt Finland eruit door zijn zeer gemotiveerde leerkrachten. Dat heeft niet zozeer met geld te maken als wel met respect en maatschappelijke waardering. ``Op elke onderwijsvacature komen in Finland gemiddeld negen sollicitanten af.'' Schleicher denkt dat de Finnen hun leerkrachten een hoge status toekennen vanwege hun academische scholing. In Finland moeten leerkrachten beschikken over een mastergraad. Daarnaast doen ze tijdens hun studie een verplicht bijvak pedagogie. De hoogopgeleiden solliciteren vervolgens in alle uithoeken van het land (5,2 miljoen inwoners) naar een baan. Bewoners van geïsoleerde gemeenschappen dragen hun leerkrachten op handen.

Leraar Tom Pehkomen beaamt die hoge status. Maar er is meer. Pehkomen geniet een grote mate van autonomie. Hijzelf – en niet de overheid – bepaalt hoe de kerndoelen van zijn vak op zijn school worden ingevuld. Ook hoeft hij geen rekening te houden met een centraal examen, want zo'n toets kent Finland niet. Finse leerlingen doen een toelatingstoets bij een vervolgstudie. Onderwijsvernieuwingen richten zich op de docent en niet op de leerling. Het Finse onderwijsbeleid is sinds de jaren negentig flexibeler geworden, legt onderzoeker Jouni Välijärvi van de Universiteit van Jylväskylä de toehoorders uit. Voor die tijd dicteerde de Finse overheid de lesdoelen en schreef scholen voor welke boeken zij dienden te gebruiken. De school bepaalt zelf met welke methode eventuele achterstanden worden weggewerkt. De PISA-resultaten bewijzen dat het nieuwe beleid werkt, zegt Välijärvia op het congres.

Een onderwijsinspectie heeft Finland niet. Ouders met klachten over leraren wenden zich tot gemeente-ambtenaren – die zich niet met de inrichting van de lessen bemoeien. Alleen wanneer een leraar een leerling onheus bejegent, grijpen zij in.

Finland heeft een vrij homogene bevolking. Etnische minderheden kent het land nauwelijks, zo'n één procent van de bevolking. In andere Oeso-landen ligt dit gemiddeld op ruim 5 procent. Finland verwacht in de toekomst een grote instroom van culturele minderheden. Die nieuwe demografische ontwikkelingen zullen het Finse model op de proef stellen, verwacht Välijärvi.

De Finnen houden de kloof tussen leerlingen met leerachterstanden en andere leerlingen smal. Op de vaardighedenschaal, die loopt van 0 tot 6, scoort in Finland 7 procent van alle scholieren onder niveau 1; in ons land is dat 11 procent en in de Verenigde Staten zelfs 26 procent. Voor Nederland, dat zich wil profileren als kenniseconomie, is dat veel te hoog, zegt Truus Dekker van de Universiteit Utrecht, ook in Helsinki van de partij om de redenen van het Finse succes te achterhalen.

minder geld

Uit de PISA-score blijkt dat Nederland in het topsegment (niveau 5 en 6) relatief méér leerlingen heeft dan Finland. Dekker: ``Nederland doet het nog steeds goed, maar we moeten op onze tellen passen. In vergelijking met de andere Oeso-landen krijgen Nederlandse leerlingen minder uren wiskunde en besteden we ook minder geld aan wiskunde-onderwijs. De andere geïndustrialiseerde landen hebben hun positie na het PISA-onderzoek van 2000 verbeterd. Wij niet. Op het terrein `probleemoplossend vermogen' hebben onze kinderen dit keer zelfs slechter gescoord dan toen. Ook qua leesvaardigheid zijn we achteruit gegaan. Dat zijn basisvaardigheden.''

Dekker wil het wiskundeonderwijs voor het vmbo verbeteren. ``We moeten de theoretische wiskunde meer integreren in de praktijk. Dat gebeurt nu te weinig. Leerlingen krijgen les in wiskunde zonder dat ze weten wat ze daarmee kunnen, later in hun vak.''