Het nut van er

Er is klein maar lastig. De Leuvense er-onderzoeker Stef Grondelaers houdt zich er al jaren mee bezig. Hoe zuidelijker, hoe meer er. Maar ook: hoe informeler, hoe meer er.

`VORIGE WEEK stond er in de Volkskrant dat ganzen een plaag dreigen te worden.' Een goede Nederlandse zin. Maar wat doet er in deze zin? Als we er schrappen, blijft de zin goed: `Dit weekend stond in de Volkskrant dat ganzen een plaag dreigen te worden.' Betekent dit dat dit er eigenlijk niets betekent?

Stef Grondelaers, onderzoeker aan de universiteit van Leuven, is samen met zijn collega's Dirk Speelman, Dirk Geeraert en Marc Brysbaert jaren op zoek geweest naar het antwoord op deze vraag. Hij heeft ontdekt dat dit er wel degelijk een functie heeft: het kleine woordje zou op een subtiele manier de verwerking van nieuwe informatie vergemakkelijken. Grondelaers kwam tot zijn conclusie, nadat hij experimenteertechnieken had gebruikt die ontleend waren aan de cognitieve psychologie.

Er is klein maar lastig. Buitenlanders die heel redelijk Nederlands spreken, vallen met hun er-gebruik onherroepelijk door de mand. Maxima zegt over haar werk als prinses: `Ik heb heel veel plezier in.' En een Marokkaans raadslid in Rotterdam zei onlangs over de hoofddoekenkwestie: `Met een hoofddoek is geen enkel probleem ermee.'

Er wordt in het Nederlands op verschillende manieren gebruikt. Het is een afgezwakte vorm van daar, het komt voor in combinatie met voorzetsels (eraan, ertegen, ermee), en ook in combinatie met aantallen: `Hoeveel heb je er? Ik heb er tien.' Maar vooral – en dat is het gebruik dat Grondelaers bestudeert – komt het voor in combinatie met onbepaalde onderwerpen.

`Er blaft een hond' is niet hetzelfde als `Een hond blaft'. De laatste zin betekent zoiets als: een hond blaft nu eenmaal, alle honden blaffen. Terwijl er in `Er blaft een hond' sprake is van één specifieke hond, die niet eerder genoemd werd en die hier dus in het verhaal wordt geïntroduceerd.

Over dit zogeheten `presentatieve' er is uiteraard al veel nagedacht in de Nederlandse taalkunde, vertelt Grondelaer in zijn werkkamer aan de universiteit van Leuven. ``Men analyseert het wel eens als een algemene situatie-aanduider. In de zin `Er stonden bomen langs de weg', zou er de algemene situatie aanduiden, terwijl `langs de weg' een specifieke plaatsaanduiding is. De zin gaat dus van vaag naar specifiek, er wordt als het ware ingezoomd. Een interessante hypothese, maar die is niet te houden. Want je kunt de zin ook beginnen met `langs de weg' en dan zie je, met name in België, dat er vaak bewaard blijft: `Langs de weg stonden er bomen'. Het ligt helemaal niet voor de hand om er hier te zien als een algemene situatie-aanduiding. Want waarom zou je in hemelsnaam een algemene situatie-aanduider op een specifieke plaatsaanduiding laten volgen?''

lege plaats

Dan is er nog een andere theorie, die er ziet als een leeg elementje, een dummy. Het idee is: een onbepaald onderwerp moet in het Nederlands altijd áchter het werkwoord staan. Maar omdat een bewerende zin nooit met het werkwoord mag beginnen (want dan zou het een vraag worden), moet de lege plaats vóór het werkwoord worden opgevuld: met er. Grondelaers: ``Ook bij deze analyse is het probleem: wat doe je met zinnen als `Langs de weg stonden er bomen'? Daarin hoeft er geen plaatsopvuller te zijn, want de eerste zinsplaats is al opgevuld. Sommige taalkundigen maken zich daar vanaf door te zeggen: die zinnen zijn ongrammaticaal. En dat klopt misschien voor de Randstad, maar zeker niet voor Vlaanderen: bij ons blijft er in 40 procent van de gevallen staan.''

Het lijkt misschien alsof het niet uitmaakt of er wel of niet achter het werkwoord blijft staan. Maar het er-gebruik blijkt niet willekeurig te zijn, Grondelaers ontdekte dat er een duidelijk patroon in zit. Er is volgens hem een accessibility marker, het zou de hoorder (lezer) erop attent maken dat er nieuwe, niet-voorspelbare informatie op komst is.

In een tekst (of gesprek) wordt voortdurend bekende informatie gekoppeld aan nieuwe informatie. Veel van die nieuwe informatie is tamelijk voorspelbaar. De hoorder probeert zoveel mogelijk te anticiperen op wat er gaat komen en de spreker speelt daar, aldus Grondelaers, onbewust op in. Hij bouwt zijn betoog het liefst zo op dat de nieuwe informatie vrij voorspelbaar wordt. Grondelaers geeft als voorbeeld de zin: `Waarom de postbode de brief niet besteld had was een raadsel, want op de envelop zat wel degelijk een...' Iedereen weet dan dat het eindigt met: `postzegel'.

Die voorspelbaarheid wordt gecreëerd door vaste zinspatronen, die als zodanig ook door de hoorder herkend worden. De zinnen met het `postverbale presentatieve' er vormen ook duidelijk een vast patroon: ze beginnen met een bijwoordelijke bepaling van plaats (of tijd) die de verwachting van de hoorder in een bepaalde richting stuurt. Grondelaers: ``Vergelijk de zin `In de keukenkast was (er) een zoutvat' met `In het toneelstuk was (er) een zoutvat'. De eerste zin is gemakkelijker te verwerken omdat `in de keukenkast' de mogelijkheden flink inperkt, terwijl `in het toneelstuk' dat niet doet, omdat eigenlijk alle voorwerpen een requisiet kunnen zijn.''

zoutvat

Om dit nader te onderzoeken ontwierp hij een experiment met self-paced reading, een techniek die in de cognitieve psychologie veel gebruikt wordt. ``Je hakt een zin in stukken en biedt die stukken na elkaar aan op een computerscherm. Dus: In de keukenkast / was / (er) / een zoutvat. Als de proefpersonen op de spatiebalk drukken krijgen ze telkens een nieuw stukje te zien, en het oude stukje verdwijnt dan. Als je ze een poosje laat oefenen, lezen ze perfect natuurlijk op die manier. De tijd tussen twee spatiebalkaanslagen sla je op, dat geeft een goede indicatie van hoe lang men naar een zinsdeel kijkt.'' Inderdaad blijkt dan dat `een zoutvat' na `in de keukenkast' sneller wordt gelezen dan na `in het toneelstuk'.

In zinnen zonder er hangt de leestijd voor het onderwerp systematisch samen met de voorspelbaarheid van dat onderwerp: bij een vrij voorspelbaar onderwerp is de leestijd gemiddeld 0,755 seconde, bij een niet-voorspelbaar onderwerp 0,880 seconde.

Maar wat gebeurt er als je er in deze zinnen toevoegt? Bij de niet-voorspelbare onderwerpen daalt de gemiddelde leestijd van 0,880 naar 0,783 seconde. Dus het onderwerp wordt dan sneller verwerkt. Maar, en dat is op het eerste gezicht verrassend, bij de vrij voorspelbare onderwerpen maakt de aanwezigheid van er de verwerking van het onderwerp juist iets moeilijker: de leestijd stijgt daar van 0,755 naar 0,801 seconde.

``Er heeft volgens mij de volgende functie'', zegt Grondelaers. ``Het anticipeert op de aanwezigheid verderop in de zin van een element dat moeilijk voorspelbaar is. Het adviseert de hoorder om alle inferenties daartoe op te geven. Dus niet proberen vooruit te lopen op wat dat onderwerp zou kunnen zijn, daar geen energie in stoppen, maar gewoon maar af te wachten wat er komt, meer niet. Doordat de hoorder niet meer probeert te anticiperen op iets wat hij toch niet kan voorspellen, wordt de verwerking van de zin efficiënter.'' Als er daarentegen voor een vrij voorspelbaar onderwerp staat, stijgt de leestijd, omdat de lezer op het verkeerde been wordt gezet. Er geeft in die zinnen een verkeerd signaal.

``Er is een andere, meer gesofistikeerde techniek die we ook hebben gebruikt'', vervolgt Grondelaers. ``Eye tracking: een techniek die veel in de cognitieve psychologie wordt gebruikt: je meet de oogbewegingen, en op die manier kun je het leesgedrag meten. Het verschil daarbij is dat je een zin niet meer in stukken hoeft te hakken, maar in één keer op het scherm kunt projecteren. Dat gaf vergelijkbare resultaten.''

Vervolgens keek Grondelaers naar bestaande teksten. Er blijkt inderdaad vaker voor te komen voor niet-voorspelbare onderwerpen. Maar er is dus ook een opmerkelijk verschil tussen het Nederlands van de Randstad en het Vlaams. Vlamingen zijn veel scheutiger met het postverbale er (en zuidelijke Nederlanders trouwens ook).

Grondelaers wilde weten hoe dat regionale verschil precies in elkaar stak. Hij analyseerde materiaal uit verschillende kranten, en keek ook naar spontaan tekstmateriaal dat van het internet was geplukt.

``Het is heel gevaarlijk om alleen van krantenmateriaal uit te gaan'', legt hij uit. ``Het taalgedrag in kranten is dubbel. Iemand schrijft een tekst en die wordt vervolgens nagekeken door iemand anders, die misschien wel er-vijandig is: die gooit de ers eruit. Wij hebben daarom ook Usenet-materiaal gebruikt, dat zijn discussies via e-mail met vrij informeel taalgebruik. En daarnaast chatmateriaal, dat is echt heel erg informeel.''

Het postverbale er bleek in de Nederlandse kwaliteitskranten perfect voorspelbaar te zijn. Grondelaers: ``Het wordt gebruikt bij zijn, maar liever niet bij andere, meer specifieke werkwoorden.''

Dus liever `In Nederland zijn er meer symfonie-orkesten' dan `In Nederland zijn meer symfonie-orkesten'. Maar liever `Morgen volgt een extra ministerraad' dan `Morgen volgt er een extra ministerraad'.

kwaliteitskrant

``Er is daarnaast een tweede regel'', zegt Grondelaers. ``Als de zin met een plaatsbepaling begint – dus niet met een tijdsbepaling – en het werkwoord is een specifiek woord - dus niet zijn – dan geldt: nooit er. In een Nederlandse kwaliteitskrant zul je nooit lezen: `Langs de weg stonden er bomen'.''

In Vlaanderen komt daar een derde factor bij: de concreetheid van de plaatsbepaling. Die kan variëren: van driedimensionaal-concreet (`in het keukenkastje'), via tweedimensionaal-concreet (`op het plein') en vaag-spatiëel naar abstract. Hoe abstracter de plaatsbepaling, hoe kleiner de voorspelbaarheid van het onderwerp, dus hoe groter de kans op er.

Grondelaers: ``Het mooie is, als je die factor toevoegt aan de analyse van het Nederlands van de Randstad, dan krijg je daarvoor een nog beter model. Dus in Nederland heeft er in principe dezelfde functie, maar het wordt alleen veel minder op die manier ingezet. Dat komt door de verregaande standaardisering van het Nederlands. In Nederland is de standaardtaal driehonderd jaar ouder dan in Vlaanderen. Bij ons in België is iedere keuze voor er echt nog een spontane en individuele keuze, die te maken heeft met de voorspelbaarheid van het onderwerp. In Nederland is die keuze veel meer gestandaardiseerd. Daar heb je duidelijke regels: dan hoort het wel en dan hoort het niet.''

variatie

Grondelaers vergeleek in zijn onderzoek verschillende kranten. ``In NRC Handelsblad was het er-gebruik volkomen voorspelbaar. In De Telegraaf was er iets meer variatie. Tussen het NRC Handelsblad en De Standaard was er nauwelijks verschil, maar tussen Het Laatste Nieuws en De Telegraaf – allebei massakranten – was al meer verschil, en tussen de Belgische en Nederlandse Usenet-discussiegroepen was het verschil nog groter.''

Kortom: hoe zuidelijker, hoe meer er. Maar ook: hoe informeler, hoe meer er.

Grondelaers keek ook naar zinnen die met er beginnen. Omdat er in die positie verplicht is, kon hij daar niet de er-loze zinnen met de er-zinnen vergelijken. Maar wel kon hij kijken naar de plaats van de bijwoordelijke bepaling.

Grondelaers: ``Mijn hypothese was: als er het anticiperen op het onderwerp deactiveert, dan ligt het niet voor de hand om vóór het onderwerp een plaatsbepaling te zetten die dat onderwerp voorspelbaarder maakt. Dat zou een tegenstrijdig signaal zijn.''

In het bestaande tekstmateriaal analyseerde hij welke zinnen er voorkwamen. En inderdaad, de statistieken wezen uit dat het bijvoorbeeld nooit `Er zit op de envelop een postzegel' is, maar altijd `Er zit een postzegel op de envelop', want `op de envelop' maakt `postzegel' tamelijk voorspelbaar. Daar staat tegenover dat de zinnen `Er zijn in Nederland 2 miljoen werklozen' en `Er zijn 2 miljoen werklozen in Nederland' wel door elkaar gebruikt kunnen worden, want `in Nederland' verhoogt de voorspelbaarheid van `werklozen' nauwelijks. Grondelaers ziet hiermee zijn theorie bevestigd, dat er het anticiperen deactiveert.