Het gevaar van oorlog om olie

Niet langer alleen in het Midden-Oosten, maar ook in andere olieproducerende gebieden gaat de oliewinning steeds vaker gepaard met militaire activiteiten om de olievoorziening te bewaken en veilig te stellen.

Nu in de hele wereld de vraag naar aardolie blijft stijgen en vele oudere olievelden in Noord-Amerika, Europa en Azië uitgeput raken, stropen de grote oliemaatschappijen de wereld af naar nieuwe energiebronnen. In veel gevallen gebeurt dit met steun van de regering van hun thuisland, omdat die zich zorgen maakt over de sociale, economische en politieke gevolgen van een toekomstige afname van de olievoorraad.

Steeds vaker behelst deze bijstand niet meer alleen traditionele middelen als subsidies en belastingvoordelen, maar ook diplomatieke stappen en bescherming door strijdkrachten. Gaandeweg worden de wereldwijde olie-operaties steeds meer gemilitariseerd. Dat heeft onheilspellende implicaties voor de vrede en de veiligheid in de wereld.

In het gebied rond de Golf, dat naar schatting tweederde van alle bekende aardoliereserves herbergt, is het sinds lang gebruikelijk om militairen in te zetten om grote olievelden in handen te krijgen en te verdedigen. Groot-Brittannië is daarmee begonnen, al voor de Eerste Wereldoorlog, toen het troepen inzette in het zuidwesten van Perzië om het concessiegebied te bewaken van de Anglo-Persian Oil Company, de voorloper van British Petroleum. Na de Eerste Wereldoorlog heeft Groot-Brittannië zijn militaire aanwezigheid rond de Perzische Golf uitgebreid, terwijl ook Frankrijk er voet aan de grond heeft proberen te krijgen. Later hebben de Amerikanen de rol van de Britten als voornaamste bewakers van de Golfolie overgenomen. Zij hebben aanzienlijke troepencontingenten gelegerd in Bahrein, Koeweit, Qatar, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (UAE), en zij hebben in de regio verscheidene oorlogen gevoerd. Thans bewaken Amerikaanse grondtroepen pijpleidingen en raffinaderijen in Irak, terwijl de Amerikaanse marine patrouilleert langs de voornaamste tankerroutes in de Golf en in de naburige wateren.

Nieuw is dat de militaire activiteiten waarmee de oliewinning rond de Perzische Golf sinds lang gepaard gaat, thans worden uitgebreid naar andere olieproducerende regio's in de wereld, waaronder het Kaspische-Zeegebied, Afrika en Zuid-Amerika. En hoewel de Verenigde Staten hierbij nog altijd de voornaamste rol spelen, zetten ook andere landen, zoals Rusland en China, militaire middelen in bij de jacht op buitenlandse olie. Het gevolg is dat in die streken nieuwe legerbases worden verworven, die van wapens en militaire adviseurs worden voorzien, en dat er nieuwe, regionale militaire allianties worden gevormd.

De toenemende militarisatie van de buitenlandse olie-operaties van die landen vloeit voort uit verscheidene ontwikkelingen. De eerste is de toenemende vrees dat de mondiale oliereserves niet toereikend zijn om aan de toekomstige vraag te voldoen. Volgens het Amerikaanse ministerie van Energie zal de mondiale behoefte aan olie – nu 82 miljoen vaten per dag – naar schatting stijgen naar 100 miljoen vaten per dag in 2015 en naar 120 miljoen vaten per dag in 2025. Men neemt aan dat al die extra olie nodig zal zijn om te voldoen aan de snel stijgende vraag in China en andere ontwikkelingslanden, en tegelijkertijd om te voorzien in de behoeften van de al langer geïndustrialiseerde landen, met name de Verenigde Staten.

Vele energiedeskundigen vrezen echter dat de mondiale olieproductie die hoge niveaus niet zal halen, want de opbrengst van de oudere velden loopt terug en de nieuwe vondsten vallen tegen. Dat betekent dat de grootste olieverbruikers agressiever zullen moeten concurreren om voldoende olie te verwerven om hun toenemende behoefte te dekken. Als gevolg daarvan zullen, zoals wij nu zien gebeuren, de prijzen worden opgedreven en zal men meer en meer geneigd zijn het leger in te zetten als noodzakelijke olieleveranties uit het buitenland gevaar lijken te lopen.

De neiging om geweld te gebruiken wordt nog bevorderd door een tektonische verschuiving in de geografie van de olieproductie. Oorspronkelijk werd het merendeel van de olie geproduceerd in noordelijke gebieden, vooral in de Verenigde Staten, Canada, Europa en Rusland/Sovjet-Unie. In 1950 was nog ongeveer tweederde van de dagelijkse olieproductie in die gebieden geconcentreerd. Maar omdat die velden als eerste werden geëxploiteerd, raken ze ook als eerste uitgeput, en neemt derhalve de productie in de meeste van die gebieden nu af. In de meeste zuidelijke streken daarentegen stijgt de olieproductie nog steeds. Daar komt bij dat die gebieden vele van de grootste bekende velden herbergen, met name in Iran, Irak, Koeweit, Nigeria, Saoedi-Arabië, de UAE en Venezuela. Hierdoor is het zwaartepunt van de wereldolieproductie verschoven van noord naar zuid, waar het voor de verdere duur van het Olietijdperk zal blijven.

Het toenemende belang van het zuiden in de mondiale olieproductie heeft evidente militaire implicaties, want die gebieden zijn merendeels instabieler en onberekenbaarder dan de oudere olieproducerende regio's in het noorden. Daar zijn een aantal redenen voor. Om te beginnen zijn vele van de zuidelijke producenten vroeger bezet geweest door koloniale mogendheden, met als gevolg dat hun landsgrenzen en bestuursinstellingen veelal geen afspiegeling vormen van de etnische, religieuze en politieke werkelijkheid ter plaatse. Dit is bijvoorbeeld duidelijk het geval in Angola, Azerbeidzjan, Irak en Nigeria in al die landen zijn separatistische bewegingen actief die proberen een eigen thuisland af te splitsen. Daar komt bij dat in die landen juist de olieproductie een bron van instabiliteit kan zijn, vooral wanneer bevoorrechte elites of prominente families het landsbestuur aan zich trekken, de inning en verdeling van de inkomsten uit aardolie monopoliseren en zo de rest van de bevolking beroven van de oliebaten, waardoor zij sterke op verandering gerichte krachten uitlokken. Bovendien kiezen de voornaamste olieconsumerende landen veelal partij voor het zittende regime, wat een van de hoofdoorzaken is van de onvrede en woede onder de massa, die soms tot uiting komen in de vorm van rellen en terroristische aanslagen.

In het licht van deze ontwikkelingen voeren de Verenigde Staten – en in mindere mate Rusland en China – hun militaire steun aan bevriende olielanden in de ontwikkelingsregio's verder op en zetten zij in die gebieden deels eigen troepen in om essentiële geopolitieke belangen te beschermen. Zo zijn overal rond de Golf en de Kaspische Zee Amerikaanse troepen gelegerd; ook hebben de VS recent militaire instructeurs gestationeerd langs een belangrijke oliepijpleiding in Venezuela.

Rusland heeft troepen in Armenië, Georgië, Kirgizië en Tadzjikistan, en Chinese troepen zouden zijn ingeschakeld bij de bewaking van olievelden in het door oorlog verscheurde zuiden van Soedan. Dit alles heeft geleid tot een stortvloed van wapenleveranties aan die streken, en er de etnische en politieke spanningen opgevoerd.

Tot dusverre zijn regelrechte oorlogen over belangrijke olievoorraden vooral gevoerd in het Midden-Oosten. Elders is het geweld beperkt gebleven tot terrorisme, opstanden en zo nu en dan een grensschermutseling. Maar naarmate meer wapens deze gebieden binnenstromen, en mogendheden van buiten de regio er steeds meer bij betrokken raken, wordt de kans groter op veel ernstiger uitbarstingen van geweld, en misschien zelfs rechtstreekse confrontaties tussen grote mogendheden.

In dat licht bezien is het van groot belang dat de bevolking van de voornaamste olieverbruikende landen haar prioriteiten heroverweegt, en besluit tot energiestrategieën die geen gebruik van geweld vereisen. Zo zouden de Verenigde Staten hun behoefte aan geïmporteerde olie aanzienlijk kunnen verkleinen door de bestaande auto's systematisch te vervangen door voertuigen die efficiënter met brandstof omgaan, vooral door benzine-elektrische hybrides. Ook zou veel meer werk moeten worden gemaakt van de ontwikkeling van alternatieve bronnen van energie, zoals wind-, zonne- en biomassaenergie, en van brandstofcellen op waterstof. Hoe sneller wij die kant op gaan, des te kleiner het gevaar van permanente oorlogvoering over de almaar slinkende aardolievoorraden.

Hoogleraar Vrede en veiligheid op Hampshire College, Armherst. Hij heeft veel gepubliceerd op het gebied van Amerikaanse defensiebeleid, wereldhandel, en veiligheidsvraagstukken, met speciale aandacht voor de strijd om grondstoffen. Zijn nieuwste boek is `Blood and Oil: The Dangers and Consequences of America's Growing Petroleum Dependency'.